Uitgelicht

Hendrik Jan van der Heiden

Hendrik Jan van der Heiden (1978) leerde orgelspelen bij Frans van Tilburg, Jaap Zwart en Harm Jansen. Bij Klaas Jan Mulder ontving hij meer dan tien jaren pianolessen. Masterclasses ontving hij van Evelina Vorontsova, Tsarina Marinkova en Meline Yeghoyan. Bij Hugo van Neck ontving hij improvisatielessen. Hij maakte diverse cd’s voor piano en orgel. In het dagelijks leven is hij fotodocumentalist bij de Erdee Media Groep te Apeldoorn.

Uitgelicht

Miniaturen

cd met christelijk werk in de stijl van oude meesters

Nederlands Dagblad, 11 oktober 2019

Miniaturen

Hendrik Jan van der Heiden, piano.

Interclassic Music

Dit is een interessante cd. De pianist Hendrik Jan van der Heiden is een christen en komt daar in het boekje bij deze cd ook vrijmoedig voor uit. Dat inspireerde hem tot diverse werken op deze cd. Of het om improvisaties of om uitgeschreven stukken gaat, is niet duidelijk. Belangrijker is dat hij daar geen oppervlakkige stemmingsstukjes van heeft gemaakt, maar als het ware in de huid van bekende pianocomponisten is gekropen. Dat levert onder de titel ‘Evening’ een mooie bewerking op waarin hij het Wiegenlied van Brahms (een wijsje dat veel op speeldoosjes te horen is) gebruikt. Maar ook Chopin is geen onbekende voor hem. Van der Heiden weet mooie omspelingen te verzinnen bij het lied ‘Als ik maar weet’. Opvallend is ‘Sorrow’ dat helemaal niet zorgelijk maar eerder wat berustend klinkt. Van der Heiden geeft zelf als toelichting dat hij daarbij denkt aan de zorgen in zijn eigen gezin. Samen met zijn vrouw heeft hij twee zorgenkinderen op te voeden.

In het boekje worden de diverse titels goed uitgelegd en wordt extra informatie gegeven. Van der Heiden is geen gediplomeerd musicus. Des te knapper is deze mooie cd.

+ originele bewerkingen

+ pianist kruipt in de huid van bekende componisten

+ knap gespeeld

Tags

Bernard Haitink

Tijdens de bijna twaalf jaren pianolessen bij Klaas Jan Mulder wilde Mulder dat ik een keer een orkest-transcriptie moest spelen op de piano.

Het doel daarvan was om op piano de orkestklank na te bootsen, voor zover dat natuurlijk kan. Mulder vond dat het wel eens goed was, om een ‘niet’ van oorsprong voor piano geschreven stuk eens te spelen op een piano. Ik koos het Adagio van uit de 7e Symfonie van Anton Bruckner. Natuurlijk kwam ik bij een uitvoering van Bernard Haitink met het Concertgebouw Orkest uit.

Toen ik een jaar of 18 was, kwam ik voor het eerst de naam Bernard Haitink tegen bij de complete uitvoeringen van de vier pianoconcerten van Sergei Rachmaninoff, met pianist Vladimir Askhenazy en met Haitink en het Concertgebouw Orkest Amsterdam, opname Decca. Daarna volgde pianoconcerten van Johannes Brahms eveneens met pianist Vladimir Askhenazy en Haitink, ook opname Decca.

De wereld van de klassieke muziek ging voor mij open. Ik herinner me dat ik een catalogus van Deutsche Grammophon en Decca meenam naar huis. Dat resulteerde dat ik met mijn eerst verdiende geld nogal wat cd’s kocht. Eerst van Vladimir Askhenazy zowel als pianist en als dirigent. En van Bernard Haitink de integrale symfonieën van Beethoven, Brahms, Bruckner, Mahler, Schumann, en Sjostakovich, label Philips.

Voor mij is Bernard Haitink, samen met Herbert von Karajan, Leonard Bernstein, Gunter Wand, Carlos Kleiber en Sergiu Celibidache, toch wel de dirigententop, hoewel er meer namen zijn, en hoewel pianisten als Michail Pletnev, Vladimir Askhenazy en Daniel Barenboim niet onverdienstelijk dirigeren.

Praten over dirigenten is praten over superlatieven. Bestaat er een specifieke Haitink-klank? Dat is moeilijk te zeggen. Er spelen in zijn interpretatie zoveel aspecten mee.

Naarmate Haitink ouder werd, werden zijn bewegingen in het dirigeren soberder, maar dat wil niet zeggen dat er muzikaal gezien er minder gebeurde. Wellicht kan je zeggen ‘met minder, meer bereiken’. De orkestklank was altijd super helder, doorzichtig, schoon, sprankelend, met een lichtheid die buitengewoon ideaal was.

Voor mij als luisteraar ervaar je soms dat de tijd – stil -staat bij de uitvoeringen van Haitink. De discografie van Haitink bevat veel moois. We zijn Haitink daarvoor dankbaar.

De prediking van het Evangelie

In Zondag 25 wordt gezegd dat de Heilige Geest het geloof in ons hart werkt door de verkondiging van het heilig evangelie. De prediking is bij uitstek het middel dat de Heilige Geest gebruikt om waar geloof in ons te verwekken en ons deel te geven aan Christus en al zijn weldaden. Paulus schrijft dat het Gode behaagd heeft door de dwaasheid van de prediking te redden hen, die geloven (1 Kor. 1:21). Wie over het toeëigenende werk van de Heilige Geest spreekt, zal ook over de prediking moeten spreken.

De rechte prediking zal allereerst verkondiging van Gods beloften moeten zijn. In het verbond komt de Heere allereerst met Zijn welmenende beloften tot ons (vgl. Gen. 17:7; Hand. 2:39). Het doopsformulier leert ons dat het verbond ‘twee delen’ heeft: de belofte en de eis, maar dat betekent niet dat er een evenwicht van belofte en eis is! Met dr. Jan van Genderen is te spreken van een overwicht van de belofte (Verbond en verkiezing, 1983, p. 62). De eis wordt voorafgegaan en gevolgd, gedragen en omgeven door de belofte en ook de vervulling van de eis is inhoud van de belofte.

De Dordtse Leerregels geven de stand van zaken uitstekend weer, wanneer zij zeggen, dat de belofte van het Evangelie verkondigd moet worden met het bevel zich te bekeren en te geloven (II, 5). De prediking is de verkondiging van de ‘zeer blijde boodschap’ (D.L., I, 3). De Here Jezus droeg zijn apostelen op het evangelie te prediken aan de ganse schepping (Mark. 16:15).

En de inhoud van dit Evangelie is Christus met al zijn weldaden. Hém verkondigt Paulus (Kol. 1:28). Hij is de rijkdom van het geheimenis dat God wil bekendmaken: “Christus onder u, de hoop der heerlijkheid (Kol. 1:27). Iedere prediker dient te doen wat Filippus deed ten opzichte van de kamerling: “uitgaande van dat Schriftwoord, predikte hij hem Jezus” (Hand. 8:35).

In Christus is de gemeente alles geschonken wat tot haar behoud nodig is. Hij is haar rechtvaardiging, Hij is ook haar heiliging. Dat moet de gemeente gepredikt worden. Deze prediking dient gepaard te gaan met het bevel zich te bekeren en te geloven. De eis van het verbond is met de belofte van het verbond gegeven. Als de Heere met zijn heil tot zijn volk komt, wil Hij ook dat dit volk uit dat heil leeft.

Wanneer men de integrale eenheid van belofte en eis uit het oog verliest, wordt de prediking wetticistisch en maakt men de gemeente moedeloos. De gemeente moet weten dat men zich moet bekeren (1 Tess. 1:9) en dat niemand zonder heiliging de Heere zal zien (Hebr. 12:14). Maar dit moet haar op het hart gebonden worden vanuit het Evangelie, dat Christus ons van God ook geworden is tot heiliging (1 Kor. 1:30) en dat Hij de levendmakende Geest voor ons verworven heeft, die in ons werkt wat de Heere van ons vraagt.

De ernst van de dienst van de Heere moet de gemeente steeds weer onder ogen worden gebracht, maar de oproep tot geloof en bekering zal moeten klinken – in het voetspoor van de apostel Paulus – ‘met beroep op de barmhartigheden Gods’ (Rom. 12:1).

De rechte prediking is ook wat men wel noemt onderscheidende prediking. Daarbij mag men de gemeente niet beschouwen als een gemengde groep. Zij is immers de kerk waarvan in Artikel 27 N.G.B. beleden wordt dat zij is een heilige vergadering van de ware gelovigen, die al hun heil verwachten van Jezus Christus, gewassen zijn door zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest. Wij moeten ons hier ook herinneren wat Artikel 29 N.G.B. zegt over hen die bij de kerk horen.

Het Evangelie oefent tucht over allen die zich als ongelovigen en goddelozen doen kennen. Daarin maken zij ernst met de belijdenis dat de kerk een heilige vergadering van de ware gelovigen is. De gemeente, die de predikant in de kerkdienst vóór zich heeft, is de gelovige gemeente, de gemeente, die al haar heil van Jezus Christus verwacht en van wie geldt wat in Artikel 29 N.G.B. gezegd wordt over de kenmerken van de christenen. Paulus schrijft aan ‘al de heiligen’ te Filippi (Filip. 1:1) en aan ‘de heilige en gelovige broeders’ te Kolosse (Kol. 1:2); Petrus schrijft aan de vreemdelingen in de verstrooiing, die hij ‘de uitverkorenen’ noemt (1 Petr. 1:2), en aan ‘hen, die een even kostbaar geloof als wij hebben verkregen’ (2 Petr. 1:1).

Naar apostolisch voorbeeld zal de prediker de gemeente moeten zien en aanspreken. Zij is niet een volk van bekeerden en onbekeerden, van gelovigen en ongelovigen, maar ‘de uitverkoren vrouw en haar kinderen’ (2 Joh. vs 1), het volk dat Christus Jezus aanvaard heeft (Kol. 2:6), de vergadering van ‘de heiligen en gelovigen’ (Ef. 1:1).

Deze visie op de gemeente impliceert niet dat er in de gemeente enkel gelovigen worden gevonden. Er zijn allereerst kinderen, die nog tot geloof moeten komen. Men wordt in de gemeente wel als een kind van het verbond geboren (vgl. Antwoord 74 H.C.), men wordt niet als een gelóvige geboren. Om een gelovig lid van de gemeente te zijn is het wederbarende werk van de Heilige Geest nodig, moet men ‘uit de Geest’ geboren worden

(Joh. 3:6). Het woord van de Heere Jezus keert zich tegen elk verbondsautomatisme’: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien” (Joh. 3:3). Maar over deze noodzakelijke geboorte ‘uit God’ (1 Joh. 3:9) moet in de prediking gesproken worden vanuit wat de Heilige Geest bij de doopvont heeft betekend en verzegeld: “dat Hij in ons wonen wil en ons tot levende leden van Christus wil maken” (Doopsformulier). Deze belofte van de Geest mag en moet in geloof aangegrepen worden.

Om de vervulling van die belofte mag gelovig gebeden worden. De prediking van het zo noodzakelijke wederbarende werk van de Heilige Geest mag nooit tot lijdelijkheid voeren, maar moet verkondigd worden als een belofte met het bevel om zich te bekeren en te geloven (vgl. D.L., II, 5).

De prediking zal ook in die zin onderscheidend moeten zijn, dat zij ermee rekent dat er in de gemeente ook huichelaars kunnen zijn en mensen, die zich niet van harte tot God bekeren (vgl. Antwoord 81). Artikel 29

N.G.B. noemt de huichelaars, “die zich in de kerk tussen de oprechte gelovigen bevinden en toch niet bij de kerk horen, al zijn zij voor het oog wel in de kerk”. Antwoord 84 H.C. spreekt nog over ‘alle ongelovigen’ die er binnen de gemeente kunnen zijn (vgl. 1 Kor. 15:12; Jac. 4:4). Vraag 82 H.C. rekent ermee dat er in de gemeente mensen kunnen gevonden worden “die zich door hun belijdenis en leven als ongelovigen en goddelozen doen kennen”.

Met al dit mogelijke verborgen en openlijke verzet tegen het Woord van de Here zal de prediking rekening moeten houden. Naar het voorbeeld van Christus (vgl. Joh. 3:18) en van de apostel Paulus (vgl. 1 Kor. 16:22) moet aan deze mensen het oordeel worden aangezegd. In de prediking moet voor hen het koninkrijk der hemelen gesloten worden, doordat aan hen verkondigd wordt “dat de toorn van God en het eeuwig oordeel op hen rusten, zolang zij zich niet bekeren” (Antwoord 84 H.C.). Deze toesluiting van het koninkrijk geschiedt in het kader van de prediking van het evangelie. Juist de boodschap van Gods liefde in Christus, maakt de zonde van het ongeloof zo groot (vlg. Hebr. 10:29).

Maar wanneer in de prediking het koninkrijk voor de ongelovigen en huichelaars gesloten wordt, betekent dit niet dat de oprechte gelovigen de verkondiging van Gods toorn en het eeuwig oordeel wel kunnen missen. Heel de gemeente heeft deze verkondiging nodig. In Hebreeën 10 wordt Gods verbondswraak aan heel de gemeente verkondigd (vgl. Openb. 2:5; 2:16; 3:3). Bij de prediking mag niet vergeten worden dat God – zoals de Dordtse Leerregels zeggen – zijn genadewerk in ons wil instandhouden, voortzetten en voltooien ook door aansporingen en dreigementen (V, 14).

In de prediking zal ook aangewezen moeten worden, dat het menselijk hart vele manieren kent om zich tegen het Evangelie te verzetten. Men kan menen geen bekering nodig te hebben (Luk. 15:7), men kan in een valse gerustheid leven (Jes. 32:11), men kan het in eigen gerechtigheid zoeken (Filip. 3:9), men kan vele dingen doen in Christus’ naam, terwijl men toch zich niet echt door het Woord van de Here laat gezeggen (Matt. 7:21, 22), men kan de wereld liefhebben (l Joh. 2:15), men kan met een schijn van godsvrucht de kracht daarvan verloochenen (2 Tim. 3:5). Al deze manieren van verzet hehoeven niet in iedere preek, maar zullen wel in de prediking als zodanig aan de orde moeten komen.

Prediking die onderscheidend is, zal ook recht doen aan de verschillende situaties waarin Gods kinderen zich kunnen bevinden. Niet ieder van hen staat op dezelfde hoogte van het geloof. Wij zagen reeds dat met name de Dordtse Leerregels er aandacht voor hebben dat het geloof niet altijd bij Gods kinderen sterk is en zich krachtig openbaart. De Leerregels zeggen dat de uitverkorenen van hun eeuwige en onveranderlijke uitverkiezing tot behoud, ieder op zijn tijd, verzekerd worden, zij het niet bij iedereen even sterk en in gelijke mate (I, 12). Er zijn in de gemeente mensen, die het levend geloof in Christus of het vertrouwen met hart en ziel, een goed geweten voor God, het leven in kinderlijke gehoorzaamheid en het roemen in God door Christus nog niet zo sterk bij zichzelf opmerken (I, 16). Er zijn er ook, die ernstig verlangen zich tot God te bekeren, maar toch nog niet zo ver in het gelovig leven voor de Heere kunnen komen, als zij wel wilden (I, 16).

Ook spreken de Leerregels ervan dat de gelovigen in dit leven tegen allerlei zondige twijfel te strijden hebben en in zware aanvechting het volle geloofsvertrouwen en de zekerheid van de volharding niet altijd voelen (V, 11).

Met deze geschakeerdheid in het leven van Gods kinderen zal de prediking moeten rekenen. Pastoraal zal zij hierop moeten ingaan en moeten aanwijzen hoe de Heilige Geest Gods kinderen hier te hulp komt.

De Dordtse Leerregels verhelen voorts niet dat er in het leven van de gelovigen ook heel donkere tijden kunnen zijn, waarin zij afdwalen van de weg, waarop zij genadig geleid worden en tot zware zonden komen (V, 4). Zij bedroeven dan de Heilige Geest, zij oefenen zich een tijdlang niet meer in het geloof; zij brengen grote schade toe aan hun geweten en ervaren soms voor een tijd de genade niet meer (V, 5). Ook hierover moet in de prediking gesproken worden. Daarbij dient de weg tot herstel – de weg van schuldbelijdenis en bekering (vgl. Ps. 32; Ps. 51) – verkondigd te worden. Deze verkondiging zal mogen en moeten staan in het licht van wat het doopsformulier zegt: “En wanneer wij soms uit zwakheid in zonden vallen, moeten wij aan Gods genade niet wanhopen en al evenmin in de zonden blijven liggen. Want de doop is een zegel en een volkomen betrouwbaar getuigenis dat wij een eeuwig verbond met God hebben”.

De prediking zal ook bevindelijk moeten zijn. Bij de bevinding gaat het om het werk van de Geest in ons en aan ons. Men kan ook zeggen dat het bij de bevinding gaat om wat de Geest in de toeëigening van het heil in ons hart en leven uitwerkt. Daarbij mag niet uit het oog verloren worden dat deze bevinding meer omvat dan de innerlijke geloofsbeleving of de verborgen omgang met de Here. De Heilige Geest vernieuwt heel ons bestaan.

Hij werkt in ons een nieuwe gehoorzaamheid. Terecht laat dan ook de Catechismus op de belijdenis van het vernieuwende werk van Christus’ Geest in ons (Zondag 32) een behandeling van de Tien Geboden (Zondag 34-44) volgen. Deze behandeling laat ons zien hoe breed de ware bevinding is: Gods kinderen beginnen door de werking van de Heilige Geest naar alle geboden van God te leven (Antwoord 114).

Dit impliceert dat in de prediking ook het hele leven van de gemeente in al zijn aspecten ter sprake moet komen. Bevindelijk preken is ook dat men aanwijst hoe de Here in het concrete leven van iedere dag gediend wil worden. Wie de bevinding versmalt tot wat men als kind van God ervaart in het hart, doet ernstig tekort aan de breedte van het werk van de Heilige Geest!

De Geest werkt in ons ‘de gehoorzaamheid des geloofs’ (Rom. 1:5). In dat brede kader zal in de prediking ook ter sprake mogen en moeten komen wat Gods kinderen ervaren en voelen wanneer de Geest in hun hart aan het werk is. In de Schrift vinden wij ook de weerklank van het werk van de Geest. Wij horen er Gods kinderen uit de diepte roepen (Ps. 130:1), hun zonden belijden (Ps. 32:5), Gods naam prijzen (Ps. 135:3 e.v.), Gods gerechtigheid verkondigen (Ps. 40:10), klagen (Ps. 88), roemen (Rom. 5:3), zuchten (Rom. 8:23), en nog zoveel meer.

Over deze weerklank zal in de prediking gesproken moeten worden. Daarbij zal er ook aandacht moeten zijn voor de tegenstemmen die ons vanuit de wereld en ons eigen hart bereiken. Deze tegenstemmen klinken ook in de Schrift (vgl. bijv. De Psalmen!). De prediking zal er steeds weer rekening mee moeten houden, hoezeer Gods kinderen aangevochten worden.

Terecht heeft men gepleit voor heilshistorische prediking. Gods weg en daden om te komen tot de geboorte van De Verlosser moeten verkondigd worden. Niet vergeten mag worden dat er een voortgang in Gods werk is en een geschiedenis van het heil. Maar in die voortgang gaat de Heere ook met Zijn volk om. Er is ook steeds het werk van de Heilige Geest in de harten en levens van Gods kinderen. In het grote kader van het heilshistorische is er ook het heilsordelijke: het werk van de Geest in Gods kinderen. Voortgang én omgang moeten in de prediking aandacht ontvangen. De Schrift verkondigt het werk van de Vader, die zijn Zoon in de wereld brengt, het werk van de Zoon, die komende is, maar ook het werk van de Heilige Geest, die geloof en vernieuwing werkt.

Met W. Kremer is te zeggen: “De Schrift laat niet alleen zien hoe God de Here zijn heil doet komen door de openbaringsgeschiedenis heen en hoe daarin de Christus komende is. De Schrift spreekt over dit niet alleen. Zij laat ook licht vallen op de ontvangers van de openbaring en spreekt duidelijk over de wijze, waarop en waarin deze openbaring weerklank moet vinden in de harten. Met andere woorden: er is niet alleen een heilshandelen Gods voor de mens, maar niet minder aan en in de mens” (Priesterlijke prediking, Amsterdam 1976, p. 87).

Het heilsordelijke moet dus in de prediking onmiskenbaar een plaats hebben, al zal het naar een woord van K. Schilder ‘onder beslag van de heilsgeschiedenis’ moeten staan.

In de paragraaf ‘Wat Gods kinderen kenmerkt’ werd reeds aangewezen, hoeveel onze belijdenis zegt over wat de Heilige Geest bij Gods kinderen bewerkt. Zij hebben kennis van hun zonden, weten van verlossing en willen de Heere dankbaar dienen. Zij vertrouwen op Gods beloften. Zij verwachten Christus uit de hemel. Zij weten dat zij een levend lid van zijn gemeente zijn. Zij voelen het begin van de eeuwige vreugde. Hun geweten klaagt hen aan. Zij kennen droefheid over hun zonden, maar ook hartelijke vreugde in God door Christus. Zij beginnen naar alle geboden van God te leven. Zij roepen met vertrouwen God als Vader aan. Zij aanbidden de rechtvaardige beslissingen van God. Zij vinden al hun troost in de wonden van de Heere Jezus Christus. Zij merken met een geestelijke blijdschap en heilige vreugde de onmiskenbare vruchten van de uitverkiezing bij zichzelf op. Zij verootmoedigen zich vanwege hun zwakheid. Zij doden steeds meer het vlees en zij verlangen vurig naar de volmaaktheid. Ook zijn zij zeker van hun volharding in het geloof en brengen, zij het in verschillende mate, vruchten voort. Ook dit alles zal in de prediking ter sprake moeten komen. Daarbij moet meer gezegd worden dan dat deze vrucht van de Geest er behoort te zijn. De rijkdom van het leven uit de Geest moet in de prediking ook beschreven en aangeprezen worden. De gemeente moet weten wat haar ook in dit opzicht in Christus geschonken is en wat de Geest van Christus in haar wil bewerken. De prediking dient hierover te spreken, om aan de beleving van het geloof Schriftuurlijke leiding te geven. De prediker zal daarbij niet voorbij mogen gaan aan de geschakeerdheid van het leven van Gods kinderen, zoals met name de Dordtse Leeregels daarvan spreken. Juist wanneer de prediking aan deze geschakeerdheid recht doet, zal zij echt pastorale – wil men: priesterlijke – prediking zijn!

Het leven uit de Geest, de vrucht van zijn werk in ons, moet in de prediking ook aan de orde komen met het oog op de zelfbeproeving, waartoe de Heere ons in zijn omgang met ons steeds weer roept (vgl. Ps. 139:23, 24; Kor. 13:5). Deze zelfbeproeving krijgt haar bijzondere ernst, wanneer de avondmaalstafel in zicht komt (vgl. 1 Kor. 11:28).

Juist de Verkondiging van de rijkdom van het leven uit de Heilige Geest kan ons bewaren voor zelfoverschatting. Deze rijkdom leert ons steeds weer het kleine begin van ons leven met de Heere te zien en spoort ons aan de vernieuwing nog meer bij Christus en zijn Geest te zoeken.

Ook leert de prediking van de vruchten van het geloof ons, of wij werkelijk door waar geloof in Christus ingeplant zijn (vgl. Antwoord 64 en 86). Zij waarschuwt ons, wanneer wij in eigen leven niets van deze vruchten vinden. Wij worden er dan met de neus op gedrukt dat wij een ‘dood’ geloof (Jak. 2:26) hebben en ons haastig dienen te bekeren.

In de prediking van het werk van de Heilige Geest in ons krijgt ook de dagelijkse bekering, waartoe wij geroepen zijn, haar concretisering. Als wij horen wat de Geest wil bewerken en hoe het leven van Gods kinderen er uit mag en moet zien, gaan wij al meer verstaan, wat het in de praktijk betekent de Heere te vrezen.

Wil de gemeente tot de rechte zelfbeproeving kunnen komen – de toetsing van eigen hart en leven aan het Woord van de Heere -, dan is de prediking van het leven uit de Heilige Geest voor haar onmisbaar. Wat dit leven concreet inhoudt, zal steeds weer vanuit de Schrift verkondigd moeten worden om haar te verlossen van schijnheiligheid en geen rust buiten Christus in de dienst van God. Het gaat om het Evangelie van de gekruisigde Christus alleen.

De functie van de Wet

Wanneer de Heidelbergse Catechismus in Zondag 2 zegt dat wij uit de wet van God onze ellende kennen, gaat het niet over de wet los van het evangelie en nog veel minder in tegenstelling tot het evangelie. De wet waarover Zondag 2 spreekt, is de wet van Gods liefde, die zijn volk zoekt en verlost. De aanhef van de Tien Woorden stempelt heel de wet (Ex. 20:2).

In de wet ontmoeten wij de God van het Verbond, die ons Zijn liefde betuigt. Juist in deze ontmoeting wordt onze ellende ontdekt! Wanneer de Heere met zijn liefde naar ons toekomt, zien wij hoe ver wij van huis zijn en hoe verdorven ons hart is.

Deze ontdekkende functie van de wet wordt des te krachtiger nu de wet onder de nieuwe bedeling naar ons toekomt als ‘de wet van Christus’ (vgl. 1 Kor. 9:21). Hij is het, die ons de diepte van de wet heeft verkondigd

(Matt. 5:17; vgl. Antwoord 4 H.C.), die de eis van de wet voor ons heeft volbracht (Kol. 2:14) en die de gehoorzaamheid aan de wet ons heeft voorgeleefd (1 Joh. 2:6).

In het leven en het werk van onze Verlosser komt de wet in haar volle ernst naar ons toe. Met name bij het Kruis van Christus ontdekken wij wie wij zijn. Daar zien wij hoe verschrikkelijk onze zonden zijn: God heeft ze gestraft metde bittere en smadelijke dood van zijn Zoon aan een kruis! Op Golghota leren wij wat de gerechtigheid is, die God van ons vraagt. De wet doet zonde kennen. Maar het is de wet die vol is van het evangelie van Gods liefde.

Het is ook de wet die tot ons spreekt in het lijden en het offer van Christus.

Daarom kan men niet de wet prediken, terwijl men over het evangelie zwijgt. Het is een misverstand, wanneer men meent dat de mens eerst door strenge wetsprediking verbrijzeld moet worden, voordat hij het evangelie kan horen. De wet is om met Calvijn te spreken “met het verbond der genadige aanneming bekleed” (Inst., II, 7, 2).

En juist het evangelie van Christus onthult ons de diepte van de wet. Daarbij mag niet uit het oog verloren worden dat de ontdekkende functie van de wet erop gericht is dat wij als zondaren onze toevlucht nemen tot de Here Jezus. In Zondag 44 wordt gezegd dat God ons zijn geboden scherp laat prediken, omdat Hij wil dat wij ons leven lang onze zondige aard steeds meer leren kennen en daardoor nog meer begeren de vergeving van de zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken. De prediking van de wet is dienstbaar aan de diepe intonatie van het evangelie van onze redding in Christus. “Onze grote schuld wordt onthuld, onze onmacht en onwaardigheid om in Gods nabijheid te verkeren, dringen al meer tot ons door.

Maar dat is geen doel in zichzelf. Het is de zware bas, die het heerlijk evangelie te beter tot klinken brengt…

Ellendekennis is geen doel in zichzelf. Deze kennis stimuleert ons begeren en maakt die afgesleten pasmunt, die de ‘vergeving van de zonden’ zo vaak voor ons is, tot een glanzend stuk goud, de parel van grote waarde” (C. Trimp, Klank en weerklank, 1989, p. 72).

Wanneer Gods wet niet meer gepredikt wordt, verschraalt het geloofsleven en wordt de genade goedkoop. Slechts waar een mens klein wordt onder het recht van Gods liefde, is er de verwondering over het geschenk van zijn Zoon; slechts waar de oprechte droefheid over eigen zonden is, zal er ook de hartelijke vreugde over het wonder van de vrijspraak in Christus zijn!

Zelfkennis

Foto door Sebastian Voortman op Pexels.com

Wanneer de Heilige Geest ons toeëigent wat wij in Christus hebben, opent Hij onze ogen voor onze zonden en ellende en brengt Hij ons tot oprechte droefheid, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben. In het Gereformeerd Piëtisme zijn er schrijvers, die deze droefheid als een noodzakelijk voorstation zien voor het komen tot Christus. De mens moet eerst zijn schuld voor God leren kennen en zijn doemwaardigheid voor de Here gevoelen, pas daarna mag hij tot de Heiland vluchten, die dan ook eerst gepast en dierbaar is.

Tegen deze gedachte verzette Calvijn zich reeds, toen hij schreef: “Zij echter, die menen, dat de boetvaardigheid veeleer aan het geloof voorafgaat dan daaruit voortkomt, of daardoor voortgebracht wordt gelijk de vrucht door de boom, hebben haar kracht nooit gekend en laten zich door een al te licht bewijs tot dit gevoelen brengen” (Inst., III, 3, 1). Voor Calvijn is de ware boetvaardigheid vrucht van het geloof in Christus en is de kennis van eigen ellende geloofskennis.

In Zondag 2 (HC) is de gelovige aan het woord, die zich het eigendom van Christus weet (vgl. Antwoord 1). Tot de geloofskennis waarvan Antwoord 1 belijdenis doet, behoort ook de kennis van zonden en ellende waarover Antwoord 2 spreekt. In Zondag 23 ontmoeten wij de gelóvige, wiens geweten hem aanklaagt dat hij tegen alle geboden van God zwaar gezondigd heeft. In Zondag 33 horen wij hoe in het leven van de ware bekering de oprechte droefheid dat wij God door onze zonden vertoornd hebben, samengaat met de hartelijke vreugde in God door Christus. In Artikel 15 N.G.B. wordt gezegd dat de gelóvigen door het besef van hun verdorvenheid dikwijls zuchten van verlangen, om uit het lichaam, dat in de macht van de dood is, verlost te worden (Rom. 7:24).

Geloven in de Heere Jezus impliceert ook altijd dat men zich zondaar voor God weet en kennis heeft van eigen ellende. Onze Verlosser sprak: “Zij, die gezond zijn, hebben geen geneesheer nodig, maar zij die ziek zijn”

(Matt. 9:12). De Heere Jezus kan ons niet noodzakelijk en dierbaar zijn, tenzij de Heilige Geest ons overtuigt van onze verlorenheid en onmacht.

De manier waarop de Geest mensen tot Christus brengt, kan heel verschillend zijn (vgl. bijv. Hand. 9:3 e.v. met Hand. 16:14). Maar hoe de Heilige Geest hier ook te werk gaat, altijd zal het komen tot de grote Geneesheer gepaard gaan met het besef dat men ziek is en de Redder van zonden (Matt. 1:21) nodig heeft.

Het kennen van eigen ellende is niet een fase in het christelijk leven, die men achter zich laat, wanneer men de Heere Jezus als Redder van zonden heeft leren kennen.

De Catechismus leert dat het weten hoe groot onze zonden en ellende zijn een noodzakelijkheid is, om in de troost van Antwoord 1 gelukkig te leven en te sterven (vgl. Vraag en Antwoord 2). In Zondag 44 zegt ons leerboek dat God wil dat wij ons leven lang onze zondige aard steeds meer leren kennen en daardoor nog meer begeren de vergeving van zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken. Heel duidelijk komt hier naar voren dat het kennen van onze ellende niet een bepaalde fase in het christelijk leven is, maar een door God gewild levenslang leerproces, waarin wij steeds meer oog krijgen voor de boosheid van ons hart. Zondekennis behoort tot de geloofskennis. Zij groeit dan ook naarmate wij verder komen in het geloof.

In dit leerproces heeft de prediking van Gods wet een onmisbare functie (vgl. Zondag 2; Zondag 44). Het is de wet, die ons onze zonden leert kennen (Rom. 7:7; vgl. Rom. 3:20). Luther heeft gesproken over het ‘beulswerk’ van de wet: zij verbrijzelt onze hoogmoed en onschuldigheidswaan, zij maakt ons tot zondaren voor God.

En Calvijn schrijft dat de wet “terwijl ze de gerechtigheid Gods, dat wil zeggen die, welke alleen Gode aangenaam is, aantoont, een ieder herinnert aan zijn eigen ongerechtigheid, hem daarvan in kennis stelt en tenslotte overtuigt en hem veroordeelt. Want zo is het nodig, dat de mens, die blind is, en dronken van eigenliefde, gebracht wordt tot de kennis en bekentenis van zijn eigen zwakheid en onreinheid, aangezien hij, wanneer zijn ijdelheid niet kennelijk wordt gelogenstraft, opgeblazen is van dwaas vertrouwen op zijn eigen krachten en er nooit toe gebracht kan worden, dat hij zijn geringheid beseft, zolang hij die afmeet naar de maat van zijn eigen oordeel” (Inst., II, 7, 6).

Doordat de Heere steeds weer met zijn wet naar ons toekomt, gaan wij al meer verstaan, hoe doodziek wij zijn en hoezeer wij de Heere Jezus als Geneesheer nodig hebben.

Het leven van Gods kinderen

Foto door Rodolfo Quiru00f3s op Pexels.com

De Bijbel leert ons dat Gods kinderen (1 Kor. 2:14) het toeëigenende werk van de Heilige Geest in hun leven ook kunnen opmerken. Wie door de Geest geleid wordt, openbaart zich in zijn doen en laten ook als een kind van God (Rom. 8:14). De vrucht van de Geest blijft niet verborgen. Het is vooral de apostel Johannes, die over dit herkennen van het werk van de Heilige Geest schrijft. Wij lezen immers: “En hieraan onderkennen wij, dat wij Hem kennen, indien wij zijn geboden bewaren” (1 Joh. 2:3); “…maar wie Zijn Woord bewaart, in die is waarlijk de liefde Gods volmaakt. Hieraan onderkennen wij, dat wij in Hem zijn” (1 Joh. 2:5); “Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, omdat wij de broeders liefhebben” (1 Joh. 3:14).

Dit herkennen van het werk van de Heilige Geest vinden wij ook in onze belijdenis. De Catechismus zegt in Zondag 32 dat wij goede werken mee daarom moeten doen, om zelf uit de vruchten zeker te zijn van ons geloof. De Dordtse Leerregels wijzen erop dat de uitverkorenen de onmiskenbare vruchten van de uitverkiezing met een geestelijke blijdschap en heilige vreugde bij zichzelf opmerken (I, 12).

In de achttiende eeuw zijn er in gereformeerde kring auteurs bij wie het herkennen van het werk van de Heilige Geest een zwaarder accent krijgt. Het opmerken van ‘kenmerken’ is voor hen dé weg, waarin men kan komen tot de zekerheid dat men een kind van God is en de hand mag leggen op zijn beloften.

Tegenover deze gedachte moet stelling genomen worden. De zekerheid van het geloof of de zekerheid van het heil rust niet op wat wij in eigen leven kunnen opmerken, maar op Gods beloften. Het geloof grijpt die beloften aan, rust op wat de Here zegt (Gen. 15:6; Rom. 4:17,18).

Maar de gelovige die leeft uit Gods beloften, mag in eigen leven ook zien, dat de Heere zijn Woord waarmaakt. De Geest van Christus is in ons werkzaam! Die Geest mogen wij in ons leven ook terugvinden. Wij vinden Hem in ons gebed (Rom. 8:15), in onze wandel (Gal. 5:16), in ons doden van de werkingen des lichaams (Rom. 8:13), in de liefde, blijdschap, vrede, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing (Gal. 5:22). Op deze vruchten van de Geest in ons leven bouwen wij onze geloofszekerheid niet. Maar wel mag deze herkenning van het werk van de Heilige Geest in ons leven ons geloofsvertrouwen versterken, doordat wij bij onszelf opmerken dat de Heere zijn Woord volvoert en laat zien dat Hij niet tevergeefs gesproken heeft.

Wat Johannes Calvijn zegt is nog altijd actueel: “Dit dan is de overeenstemming, dat de heiligen, wanneer het gaat over het grondvesten en vaststellen van hun zaligheid, zonder te letten op de werken, alleen op Gods goedheid de ogen richten. En zij wenden niet alleen zich tot haar vóór alles als tot het begin van hun gelukzaligheid, maar zij rusten in haar ook als in de vervulling. Wanneer de consciëntie zo gegrondvest, opgericht en bevestigd is, wordt ze ook bevestigd door het beschouwen van de werken; namelijk in zoverre als zij getuigenissen zijn, dat God in ons woont en regeert. Daar dus dat vertrouwen op de werken geen plaats heeft, tenzij ge eerst het ganse vertrouwen van uw hart op de barmhartigheid Gods gesteld hebt, mag het niet schijnen te strijden met dat vertrouwen, waarvan het afhankelijk is… Maar wij verbieden niet, dat hij (de christen) door de tekenen van Gods goedertierenheid jegens hem dit geloof schraagt en versterkt” (Inst. III, 4, 18).

In dit verband vraagt nog bijzondere aandacht wat de Catechismus zegt in Zondag 32. De goede werken – het werk van de Geest in ons – komen daar ter sprake in verband met het zeker zijn van eigen geloof. Wat ons leerboek zegt heeft altijd weer vragen opgeroepen. Buigt de Catechismus hier af van de lijn van de Reformatie, doordat wij voor de zekerheid verwezen worden naar de vrucht van de Geest in ons leven? Vergeet hij dat onze zekerheid alleen rust in de gelovige aanvaarding van wat de Heere zegt?

Deze vragen zijn opgeroepen, omdat men niet goed las wat de Catechismus hier zegt. Hij heeft het niet over het zeker zijn van het heil, maar over het zeker zijn van eigen geloof. De goede werken komen hier ter sprake als tekenen van de vitaliteit, het levend-zijn van ons geloof. Men kan namelijk ook wat Jakobus noemt een ‘dood’ geloof hebben (Jak. 2:26). Dat is een geloof zonder werken, zonder bekering en heilige wandel. Wie zo’n geloof heeft, moet schrikken. Want hij blijkt dan geen rank te zijn aan de ware Wijnstok Christus (Joh. 15:5). Hij blijkt geen ‘waar’ geloof te hebben, want het kan niet anders, of ieder die door waar geloof in Christus ingeplant is, brengt vruchten van dankbaarheid voort (Zondag 24).

Wanneer wij goede werken doen, vruchten van dankbaarheid in ons leven opmerken, dan zegt dat veel over ons geloof. Wij mogen daaruit opmaken dat wij inderdaad door genade de band met de Here Jezus kennen, als ranken leven uit de hemelse Wijnstok. Aan de vruchten kent men de boom. Dat geldt voor de gelovige ook wat zichzelf betreft. Uit de vruchten mag hij zeker zijn van zijn geloof. Doordat hij het werk van de Geest in eigen leven opmerkt, mag hij weten: ik ken de Here Jezus in waarheid, ik leef door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven (Gal. 2:20). Mijn geloof is geen ‘dood’ geloof, maar een geloof, dat door de liefde werkt (Gal. 5:6).

Gods kinderen

Foto door cottonbro op Pexels.com

Op vele plaatsen zegt de Bijbel iets over het leven van gelovigen. Het toeëigenende werk van de Heilige Geest draagt vrucht! Wie door de Geest geleid wordt, gaat zich ook als een kind van God openbaren (Rom. 8:14).

Gelovige kinderen van de Heere hebben kennis van hun ellende, weten van de verlossing, die in Christus Jezus is, en beseffen hoe de Here hen roept tot een dankbaar leven (Zondag 1). Zij hebben waar geloof, dat vertrouwt op Gods beloften (Zondag 7). Zij weten dat de eeuwige Vader van de Here Jezus Christus om zijn Zoon Christus hun God en hun Vader is. Daarom vertrouwen zij zo op Hem, dat zij er niet aan twijfelen, dat Hij hen voorzien zal van alles wat zij nodig hebben (Zondag 9).

Door het geloof zijn zij leden van Christus en hebben zo deel aan zijn zalving.

Daarom belijden zij profetisch zijn naam, offeren zij priesterlijk zichzelf als een levend dankoffer en strijden koninklijk met een vrij en goed geweten tegen de zonde en de duivel (Zondag 12). Door de kracht van de Geest zoeken zij wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God, en niet wat op de aarde is (Zondag 18).

In alle droefheid en vervolging verwachten zij met opgeheven hoofd Christus als Rechter uit de hemel (Zondag 19). Zij geloven dat zij een levend lid van de gemeente van Christus zijn en eeuwig zullen blijven (Zondag 21).

Zij voelen nu al het begin van de eeuwige vreugde in hun hart (Zondag 22). Hun geweten klaagt hen aan, dat zij tegen alle geboden van God zwaar gezondigd hebben en geen daarvan gehouden hebben (Zondag 23). Zij hebben om hun zonden een afkeer van zichzelf, maar toch vertrouwen zij dat deze hun om Christus’ wil vergeven zijn.

Ook begeren zij hoe langer hoe meer hun geloof te versterken en hun leven te beteren (Zondag 30). Zij kennen de bekering, waarbij er oprechtheid is, over het feit dat zij voor God zondaar zijn. Bij deze droefheid is er tegelijk een hartelijke vreugde in God door Christus en lust en liefde om naar de wil van God in alle goede werken te leven (Zondag 33). Al komt het in dit leven niet tot volmaakte gehoorzaamheid, wel is het zo, dat Gods kinderen met een ernstig voornemen niet slechts naar sommige, maar naar alle geboden van God beginnen te leven (Zondag 44). Ook roepen zij in kinderlijk vertrouwen God als Vader aan en bidden om alles wat Hij ons geboden heeft te bidden (Zondag 45 en Zondag 46).

Niet enkel in de Heidelbergse Catechismus, maar ook in de Nederlandse Geloofsbelijdenis wordt over het leven van Gods kinderen gesproken. Zij geloven met het hart en belijden met de mond (Art. 1). Zij geloven zonder in enig opzicht te twijfelen alles wat de heilige boeken van de Schrift bevatten (Art. 5). Zij ervaren de werkingen van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest in zichzelf (Art. 9). Gods kinderen aanbidden in alle ootmoed en eerbied de rechtvaardige beslissingen van God, die ons verborgen zijn, en stellen zich ermee tevreden enkel leerlingen van Christus te zijn (Art. 13). Zij vinden al hun troost in de wonden van de Heere Jezus (Art. 21). Ten aanzien van de vergeving der zonden geven zij alle eer aan God, terwijl zij zichzelf vernederen en belijden wat voor mensen zij zijn, zonder zich ook maar enigszins op zichzelf of op hun verdiensten te laten voorstaan (Art. 23). Zij doen goede werken, maar funderen daar hun heil niet op (Art. 24). Zij brengen hun gebeden voor God alleen op grond van de uitnemendheid en waardigheid van de Heere Jezus Christus en roepen de hemelse Vader aan door Christus, de enige Middelaar (Art. 26). Zij buigen de hals onder het juk van Christus en dienen de opbouw van de broeders als leden van eenzelfde lichaam (Art. 28).

In Artikel 29 worden de kenmerken van de christenen zó samenvattend omschreven: zij die bij de kerk van Christus horen zijn te kennen “aan het geloof en hieraan dat zij, na de enige Heiland Christus aangenomen te hebben, de zonde ontvluchten en de gerechtigheid najagen, de ware God en hun naaste liefhebben, niet naar rechts of links afwijken en hun oude mens met zijn werken kruisigen. Dat wil echter niet zeggen dat er geen grote zwakheid meer in hen zou zijn, maar door de Geest strijden zij daar elke dag tegen, hun leven lang. Zij nemen voortdurend hun toevlucht tot het bloed, de dood, het lijden en de gehoorzaamheid van de Heere Jezus Christus, in wie zij vergeving van hun zonden hebben door het geloof in Hem”.

In Artikel 37 wordt nog gezegd dat Gods kinderen de grote dag van Christus’ terugkomst met sterk verlangen verwachten.

Het leven van Gods kinderen krijgt ook in ons derde belijdenisgeschrift, de Dordtse Leerregels, brede aandacht. De uitverkorenen merken met een geestelijke blijdschap en heilige vreugde de onmiskenbare vruchten van de uitverkiezing, die Gods Woord aanwijst, bij zichzelf op, zoals bijvoorbeeld het ware geloof in Christus, kinderlijk ontzag voor God, droefheid naar Gods wil over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid (I, 12). Gods kinderen ervaren de uitverkiezing en zijn er zeker van. Daaraan ontlenen zij dagelijks meer reden om zich voor God te verootmoedigen, de diepte van zijn barmhartigheid te aanbidden, zichzelf te reinigen en Hem, die hen eerst zozeer heeft liefgehad, van hun kant vurig lief te hebben (I, 13). Op grond van de ervaring van hun uitverkiezing verheugen de heiligen zich met de apostel en prijzen deze weldaad van God, terwijl zij zich overeenkomstig Christus’ aansporing met de discipelen verblijden dat hun namen in de hemel staan opgetekend.

Ook stellen zij de ervaring van hun uitverkiezing tegenover de vurige pijlen van de aanvechtingen van de duivel, wanneer zij vragen: “Wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen?” (I, Veroordeling v.d. dwalingen, 7).

Hoe het vernieuwde werk van de Heilige Geest in zijn werk gaat, kunnen de gelovigen in dit leven niet volledig begrijpen. Intussen vinden zij rust in de wetenschap en ervaring, dat zij door deze genade van God van harte geloven en hun Verlosser liefhebben (III/IV, 13). Wie deze genade ontvangt, is alleen God eeuwige dankbaarheid verschuldigd en hij brengt Hem die dank ook (III/IV, 15).

God verlost Zijn kinderen in dit leven niet helemaal van het vlees en het lichaam der zonde. Hierdoor zondigen zij in hun zwakheid elke dag weer en zelfs aan de beste werken van de heiligen kleven gebreken. Dit geeft hun voortdurend reden zich voor God te verootmoedigen en hun toevlucht tot de gekruisigde Christus te nemen. Ook gaan zij daardoor steeds meer het vlees doden door de Geest der gebeden en door zich te oefenen in een godvrezend leven en zij verlangen vurig naar het bereiken van de volmaaktheid (V, 2).

De gelovigen hebben de zekerheid van de bewaring van de uitverkorenen en van de volharding in het geloof, naarmate zij vast geloven dat zij ware, levende leden van de kerk zijn en altijd zullen blijven, en dat zij vergeving van de zonden en een eeuwig leven hebben (V, 9).

De zekerheid van de volharding verleidt de ware gelovigen beslist niet tot hoogmoed en zondige zorgeloosheid. Integendeel, hieruit komen voort nederigheid, kinderlijke eerbied, een godvrezend leven, vurige gebeden, standvastigheid in alle strijd, in het kruisdragen en in het belijden van de waarheid en ook blijvende blijdschap in God. Het overdenken van die weldaad is voor hen juist een aansporing zich ernstig en voortdurend te oefenen in dankbaarheid en goede werken (V, 12).

De ware gelovigen ontvangen het zaad (van het Woord) in goede aarde of in een goed hart; zij bezitten een sterke wortel en brengen zonder ophouden, zij het in verschillende mate, hun vruchten voort (V, Veroordeling v.d. dwalingen, 7).

Met name de Leerregels hebben er oog voor dat het geloof niet altijd sterk is en zich krachtig openbaart bij Gods kinderen.

In I,12 wordt gezegd: “Van hun eeuwige en onveranderlijke uitverkiezing tot behoud worden de uitverkorenen, ieder op zijn tijd, verzekerd, zij het niet bij iedereen even sterk en in gelijke mate”.

In I,16 spreken de Leerregels over mensen “die het levend geloof in Christus of het vertrouwen met hart en ziel, een goed geweten voor God, het leven in de kinderlijke gehoorzaamheid en het roemen in God door Christus nog niet zo sterk bij zichzelf opmerken” en over mensen “die ernstig verlangen zich tot God te bekeren, Hem alleen te behagen en uit het lichaam des doods verlost te worden, maar toch nog niet zo ver in het gelovig leven voor de Heere kunnen komen, als zij wel wilden”. De Leerregels wijzen er ook op dat er in het leven van Gods kinderen heel donkere tijden kunnen zijn, waarin zij afdwalen van de weg waarop zij genadig geleid worden, en tot zware zonden komen (V, 4). Zij bedroeven dan de Heilige Geest; zij oefenen zich een tijdlang niet meer in het geloof; zij brengen grote schade toe aan hun geweten en ervaren soms voor een tijd de genade niet meer.

Eerst wanneer zij door ernstig berouw op de goede weg terugkeren, doet God zijn vaderlijk aangezicht weer over hen lichten (V, 5).

De Leerregels beschrijven ook, hoe het met Gods kinderen is, wanneer zij uit zware zonden weer worden opgericht. Het vertrouwen te zullen volharden herleeft bij hen. Maar dat veroorzaakt zeker geen zorgeloosheid en slordigheid in de dienst van God. Nee, zij zorgen er juist des te meer voor, nauwgezet op de wegen van de Heere te blijven. Dan zal het aangezicht van God, die met hen verzoend is, zich niet weer van hen afkeren wegens misbruik van zijn Vaderlijke goedheid. Daardoor zouden zij in nog grotere geestelijke benauwdheid terechtkomen.

Want wanneer zij die God vrezen, zijn vriendelijk aangezicht zien, is dat hun zoeter dan het leven, maar wanneer God zijn aangezicht verbergt, is dat hun bitterder dan de dood (V, 13).

De Dordtse Leerregels houden staande dat de gelovigen zeker kunnen zijn van de bewaring van de uitverkorenen en van de volharding van de ware gelovigen in het geloof (V, 9). Toch weten zij met Luther dat het geloof een ‘onrustig ding’ is. Zij zeggen dan ook: “Intussen getuigt de Schrift dat de gelovigen in dit leven tegen allerlei zondige twijfel te strijden hebben en in zware aanvechting dit volle geloofsvertrouwen en deze zekerheid van de volharding niet altijd voelen. Maar God, de Vader van alle vertroosting, laat hen niet boven vermogen verzocht worden, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen en Hij maakt door de Heilige Geest hen weer zeker van de volharding” (V, 11).

Het leven van Gods kinderen wordt getekend in al zijn geschakeerdheid. Met een woord van Calvijn kunnen wij met name het onderwijs van de Leerregels samenvatten: “Voorzeker, wanneer wij leren, dat het geloof zeker en onbekommerd moet zijn, stellen wij ons niet een zekerheid voor, die door geen enkele bekommerdheid wordt aangevallen; ja veeleer zeggen wij, dat de gelovigen een voortdurende strijd hebben met hun eigen gebrek aan vertrouwen. Zover is het er vandaan, dat wij hun consciëntie in een kalme rust zouden plaatsen, die in ’t geheel niet door enige beroering verbroken zou worden. Aan de andere kant echter ontkennen wij, dat, op welke wijze ze ook gekweld worden, ze afvallen en afwijken van dat vaste vertrouwen, dat ze aangaande Gods barmhartigheid hebben opgevat” (Inst. III, 2, 17).

Leven uit de Beloften

Foto door Hernan Pauccara op Pexels.com

Paulus noemt de Heilige Geest de Geest ‘der belofte’ (Ef. 1:13). De Geest is de Geest die in het Oude Testament werd beloofd (Ezech. 36:27; Joël 2:28) en waarmee Christus zijn gemeente op de Pinksterdag heeft gedoopt (Hand. 2:33). Maar wat de apostel zegt, zullen wij ook mogen opvatten als: de Heilige Geest werkt door de belofte.

Om ons deel te geven aan Christus en al zijn Weldaden, komt Hij met Gods beloften naar ons toe. De beloften van rechtvaardiging, heiliging en verheerlijking worden ons in de prediking verkondigd. En deze beloften worden ons in de doop en aan het Avondmaal betekend en verzegeld.

Maar deze beloften gaan niet automatisch in vervulling. Zij moeten geloofd worden. Paulus schrijft dat het evangelie een kracht van God tot behoud is voor ieder, die gelooft (Rom. 1:16). In Hebreeën 4 wordt gezegd dat het woord van de prediking Israël van geen nut was, omdat het niet met geloof gepaard ging. In Zondag 31 wordt beleden dat de gelovigen werkelijk de zonden vergeven zijn, zo vaak zij de belofte van het evangelie met waar geloof aannemen.

De Dordtse Leerregels zeggen dan ook dat de belofte van het evangelie openlijk verkondigd moet worden met het bevel zich te bekeren en te geloven. (II, 5).

Tot deze bekering en dit geloof zal in de prediking steeds opgeroepen moeten worden en hierom zal steeds gebeden moeten worden. De gemeente is verbondsgemeente. Zij heeft Gods rijke beloften en mag met het doopsformulier danken dat de Heere ons en onze kinderen tot zijn kinderen heeft aangenomen. Met Calvijn kunnen wij zeggen dat het Genadeverbond niets anders is dan de genadige aanneming tot kinderen van God. Maar deze weldaad van de genadige aanneming moet in geloof aanvaard worden. Slechts in de weg van gelovige aanvaarding wordt wat wij in de belofte bezitten, ons persoonlijk deel.

Het gaat erom of wij de weldaad van de genadige aanneming in geloof aangrijpen. Zij zijn gelovige en trouwe kinderen van God in waarheid. Zij mogen de weelde van het kind van God zijn ook beleven (Rom. 8:14).

De genade van de aanneming tot kinderen van God zal in de weg van geloof persoonlijk ons deel moeten worden. Wat wij in de belofte hebben moeten wij door geloof ons toeëigenen. Calvijn schrijft: “Wij weten, dat de beloften voor ons eerst dan de bedoelde uitwerking hebben, wanneer wij ze door geloof aannemen” (Inst. III, 24, 17).

Dat wij wat de Heere ons belooft, ons persoonlijk kúnnen eigen maken, is het wonder van de Heilige Geest. Hij is het, die met Gods beloften in prediking en sacrament naar ons toekomt, in die beloften leert geloven en uit die beloften leert te leven. Ook dit wonder van de Geest is ons in Christus gegeven en bij de doop beloofd. Op grond van deze belofte mogen wij om dit wonder de Here bidden.

Nooit worden wij naar onszelf verwezen. Wij worden altijd naar Christus verwezen, die ons van God ook tot heiliging is geworden (1 Kor. 1:30).

Wat werkt de Heilige Geest?

Foto door Pixabay op Pexels.com

De Heilige Geest geeft ons deel aan Christus en zijn weldaden. De weldaden die Christus door zijn dood voor ons verworven heeft, zijn vele en velerlei (Ef. 1:3). Ons doopsformulier spreekt, wanneer het gaat over ‘wat wij in Christus hebben’ over de afwassing van onze zonden, de dagelijkse vernieuwing van ons leven en onze verheerlijking. Er zijn drie gaven, die wij ook in de Schrift duidelijk zien: Rechtvaardiging, heiliging en verheerlijking zijn met name de geschenken, die Christus voor ons verwierf en waaraan Hij ons door zijn Geest deel geeft (vgl. Rom. 8:30; 1 Kor. 1:30).

In het kader van de vraag, hoe wij aan het heil in Christus deel krijgen en er deel aan houden, willen wij bijzondere aandacht geven aan wat in onze belijdenis ‘de bekering’ wordt genoemd (vgl. Zondag 33; D.L. II, 5,6; III/IV, 11).

Onze belijdenis gebruikt ook het woord ‘wedergeboorte’ (D.L. III/IV, 12) of spreekt over door de Geest opnieuw geboren worden (Zondag 3). In Artikel 35 N.G.B. wordt dit genoemd ‘de tweede geboorte’, die geschiedt door het Woord van het evangelie.

Juist het woord ‘wedergeboorte’ zegt hoe ingrijpend het werk van de Heilige Geest aan ons is. Wij worden niet wat bijgeschaafd of gecorrigeerd, maar wij worden radicaal veranderd, wij worden nieuwe mensen. De Heere vervult het woord: “Een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste; het hart van steen zal Ik uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een hart van vlees geven. Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven en maken, dat gij naar mijn inzettingen wandelt en naarstig mijn verordeningen onderhoudt” (Ezech. 36:26,27).

Prachtig spreken de Leerregels van Dordt over wat de Heilige Geest doet bij het begin van de wedergeboorte of bekering: “Hij opent het gesloten hart, Hij maakt het harde zacht, Hij besnijdt het onbesnedene, Hij vernieuwt de wil: van dood maakt Hij hem levend, van slecht goed, van onwillig gewillig, van weerbarstig gehoorzaam” (III/IV, 11).

Van nature zijn wij dood (Ef. 2:1) en kunnen wij geen stap naar de Heere Jezus doen (Joh. 6:44). Willen wij Christus en al zijn weldaden kunnen aannemen, dan is daar het nieuwe werk van de Geest voor nodig, dat de Dordtse Leerregels gelijk stellen met een nieuwe schepping en de opwekking uit de doden (III/IV, 12). De

Heilige Geest moet ons een hart geven, om Christus te kennen (Jer. 24:7), Hij moet ons toegesloten hart openen (Hand. 16:14). De leerregels zeggen dat God de wedergeboorte zonder ons in ons tot stand brengt.

De Dordtse Leerregels gebruiken het woord ‘wedergeboorte’ om het begin van het nieuwe leven, dat de Geest in ons werkt, aan te duiden. Het woord wordt in onze belijdenis echter ook in ruimere zin gebruikt (vgl. Art. 24

N.G.B.). Het heeft dan betrekking op wat het doopsformulier noemt ‘de dagelijkse vernieuwing van ons leven’. Wij kunnen ‘wedergeboorte’ dan gelijk stellen met de ‘bekering’, die in Zondag 33 getekend wordt als een levenslang proces.

In de Schrift klinkt voortdurend de oproep tot bekering (2 Kon. 17:13; Jes. 31:6; Jer. 18:11; Hos. 14:2; Joël 2:12; Matt. 4:17; Hand. 2:38; Openb. 2:16). Deze oproep kan klinken, omdat de Here geeft wat Hij vraagt. In

Christus hebben wij ook de dagelijkse vernieuwing van ons leven. Hij is het die door zijn Geest de bekering in ons werkt. Door zijn kracht worden wij opgewekt tot een nieuw leven (Zondag 17). En zo sterft ‘de oude mens’ af en staat ‘de nieuwe mens’ op (Zondag 33). Wij bekeren ons, omdat de Here ons bekeert (vgl. Jer. 31:18). De Dordtse Leerregels vatten de stand van zaken heel mooi samen, wanneer zij zeggen dat de mens zich bekeert door de genade, die hij ontvangen heeft (III/IV, 12).

Woord en Geest

Foto door David Bartus op Pexels.com

In Zondag 7 belijdt de kerk dat de Heilige Geest het geloof in ons hart werkt door het heilig evangelie. In het boek Handelingen zien wij telkens weer, hoe door de verkondiging van het evangelie de Geest van Christus mensen tot geloof brengt (vgl. Hand. 2:37; 8:35,36; 13:48).

Het Woord is het zwaard van de Geest (Ef. 6:17), waarmee Hij het ongeloof van mensen overwint. De Dordtse Leerregels zeggen dat de wijze God het Evangelie bestemd heeft tot een zaad van de wedergeboorte, en verwijzen naar 1 Petrus 1:23, 25. De verhouding tussen Geest en Woord kan men zó weergeven: de Geest werkt door het Woord en met het Woord.

Wie het werk van de Heilige Geest losmaakt van het Woord, komt op de doperse lijn terecht. Wie het Woord van de Heilige Geest losmaakt, vervalt tot remonstrantisme.

Dordt heeft zich nadrukkelijk gekeerd tegen een leer, die de prediking van het Woord isoleerde van de kracht van de Heilige Geest. De Remonstranten waren immers van oordeel, dat in de prediking voldoende genade geboden wordt. Heeft God in de prediking gesproken, dan staat het vervolgens aan de mèns die genade al dan niet aan te grijpen.

Tegenover deze remonstrantse opvatting hebben de vaderen van Dordt gesteld, dat de wedergeboorte of vernieuwing niet teweeg gebracht wordt door ‘de uiterlijke predikatie alleen’ (III/IV, 12), doordat de Heere ons het evangelie alleen ‘uiterlijk doet prediken’ (III/IV, 11). Maar zij hebben hier nadrukkelijk ook de noodzaak van het tot in het hart van een mens doordringende werk van de Geest beleden.

Wil een mens tot geloof kunnen komen, dan is het noodzakelijk dat de Heilige Geest met het gepredikte Woord doordringt tot in het diepst van de mens met zijn krachtige werking (III/IV, 11). Het gaat hier om een ‘bijzondere’ (III/IV, Veroordeling 7), een tot in het hart van de mens ‘doordringende’ werking van de Geest. In D.L. III/IV, 10 wordt gezegd dat God zijn uitverkorenen roept ‘met kracht’ (De latijnse tekst heeft efficaciter = krachtdadig, doeltreffend).

Wat de Dordtse Leerregels zeggen over het niet toereikend zijn van ‘de uiterlijke predikatie alleen’, mag ons er niet toe brengen de verkondiging van het heilig evangelie gering te achten. De Leerregels reageren op het spreken van de Remonstranten over een van de kracht van de Geest geïsoleerde prediking. Als het Woord van God recht bediend wordt, is de Heilige Geest aan het werk (1 Tess. 1:5).

Paulus typeert in 2 Korintiërs 3 de apostolische prediking als de bediening van de Geest in heerlijkheid en hij schrijft dat het Gode behaagd heeft door de dwaasheid van de prediking te redden hen, die geloven (1 Kor. 1:21).

Tegenover de Dopersen hebben de Reformatoren benadrukt dat de Heilige Geest het geloof in onze harten werkt door de verkondiging van het heilig evangelie. Nadat in Zondag 20 gezegd is dat de Heilige Geest ons gegeven is, om ons aan Christus en al zijn weldaden deel te geven, volgen de Zondagen 25 tot en met 31, waarin de Catechismus handelt over de sacramenten en de verkondiging van het heilig evangelie. Dat is niet toevallig.

De Heidelbergse Catechismus heeft daarin de weg van de Heilige Geest willen eren. Zó geeft Hij ons deel aan Christus en al zijn weldaden. Prediking en sacramenten zijn de middelen, waardoor de Heilige Geest ons het heil toeëigent. Wie deel wil hebben aan Christus moet naar de kerk gaan, moet de prediking horen en de sacramenten gelovig gebruiken.

De vaderen van Dordt hebben op deze weg van de Geest gewezen, toen zij – juist aan het slot van het Hoofdstuk over de bekering van de mens – spraken over ‘het gebruik van middelen’ en in dat verband de bediening van het

Woord en van de sacramenten noemden (III/IV, 17) en elders beleden dat het God behaagd heeft zijn genadewerk in ons te beginnen door de prediking van het evangelie (V, 14).

Gelovig in Christus

Foto door Pixabay op Pexels.com

De Geest eigent ons toe wat wij in Christus hebben. Maar ook de gelovige eigent zich het heil toe. Zo wordt in Zondag 7 gesproken over het aannemen van al Christus’ weldaden. In Zondag 23 wordt beleden dat ik de gerechtigheid van Christus niet anders dan door waar geloof kan aannemen en mij toeëigenen. In Artikel 22 N.G.B. wordt gesproken over waar geloof, dat zich Christus toeëigent en niets meer buiten Hem zoekt. In Artikel 35 N.G.B wordt aangewezen dat het er bij het avondmaal op aan komt, dat Christus gegeten wordt, dat wil zeggen geestelijk toegeëigend en door het geloof ontvangen.

De Geest walst niet over ons heen. De Heilige Geest vernieuwt en herstelt ons. Hij werkt zo, dat mensen weer gaan functioneren overeenkomstig Gods bedoeling in geloof en nieuwe gehoorzaamheid.

De Dordtse Leerregels spreken over de wil van de mens, die door God in beweging gebracht, zelf ook werkt (III/IV, 12) en over de genade van de wedergeboorte, die de wil met zijn eigenschappen niet vernietigt, maar geestelijk levend maakt, geneest en herstelt (III/IV, 16).

Het werk van de Heilige Geest schakelt ons niet uit, maar maakt ons juist gelovig actief. Paulus spreekt over het ‘willen’ en het ‘werken’ dat God in ons werkt naar zijn welbehagen (Filip. 2:13).

De manier waarop de mens zich het heil in Christus toeëigent, is die van het geloof. Zondag 25 zegt terecht dat alleen het geloof ons aan Christus en al zijn weldaden deel geeft. In Zondag 23 lezen wij dat wij de gerechtigheid van Christus niet anders dan door waar geloof kunnen aannemen en ons toeëigenen.

De Bijbel zegt dat een ieder die gelooft, in Hem eeuwig leven heeft (Joh. 3:16). Paulus spreekt over een gerechtvaardigd zijn uit het geloof (Rom. 5:1) en over een leven door het geloof in de Zoon van God (Gal. 2:20).

Het geloof is echter niet iets dat de mens van zijn kant bijdraagt in de toeëigening van het heil, het is niet òns werk. Het geloof is een gave van God (Ef. 2:8). Niemand kan zeggen: Jezus is Heer, dan door de Heilige Geest

(1 Kor. 12:3). Het is de Heilige Geest die ons Christus doet kennen (Ef. 1:17). Hij is het die in ons hart waar geloof ontsteekt, zoals Artikel 22 N.G.B zegt.

Wanneer onze belijdenis over de toeëigening van het heil spreekt als iets dat de gelovige doet, zal steeds bedacht moeten worden dat die enkel vrucht van het werk van de Geest in en aan ons is. Het is God, die zowel het willen als het werken in ons werkt naar zijn welbehagen (Filip. 2:13).