Uitgelicht

Hendrik Jan van der Heiden

Hendrik Jan van der Heiden (1978) leerde orgelspelen bij Frans van Tilburg, Jaap Zwart en Harm Jansen. Bij Klaas Jan Mulder ontving hij meer dan tien jaren pianolessen. Masterclasses ontving hij van Evelina Vorontsova, Tsarina Marinkova en Meline Yeghoyan. Bij Hugo van Neck ontving hij improvisatielessen. Hij maakte diverse cd’s voor piano en orgel. In het dagelijks leven is hij fotodocumentalist bij de Erdee Media Groep te Apeldoorn.

Uitgelicht

Miniaturen

cd met christelijk werk in de stijl van oude meesters

Nederlands Dagblad, 11 oktober 2019

Miniaturen

Hendrik Jan van der Heiden, piano.

Interclassic Music

Dit is een interessante cd. De pianist Hendrik Jan van der Heiden is een christen en komt daar in het boekje bij deze cd ook vrijmoedig voor uit. Dat inspireerde hem tot diverse werken op deze cd. Of het om improvisaties of om uitgeschreven stukken gaat, is niet duidelijk. Belangrijker is dat hij daar geen oppervlakkige stemmingsstukjes van heeft gemaakt, maar als het ware in de huid van bekende pianocomponisten is gekropen. Dat levert onder de titel ‘Evening’ een mooie bewerking op waarin hij het Wiegenlied van Brahms (een wijsje dat veel op speeldoosjes te horen is) gebruikt. Maar ook Chopin is geen onbekende voor hem. Van der Heiden weet mooie omspelingen te verzinnen bij het lied ‘Als ik maar weet’. Opvallend is ‘Sorrow’ dat helemaal niet zorgelijk maar eerder wat berustend klinkt. Van der Heiden geeft zelf als toelichting dat hij daarbij denkt aan de zorgen in zijn eigen gezin. Samen met zijn vrouw heeft hij twee zorgenkinderen op te voeden.

In het boekje worden de diverse titels goed uitgelegd en wordt extra informatie gegeven. Van der Heiden is geen gediplomeerd musicus. Des te knapper is deze mooie cd.

+ originele bewerkingen

+ pianist kruipt in de huid van bekende componisten

+ knap gespeeld

Tags

Alexander Comrie – 8

Alexander Comrie wil een weg bewandelen tussen de Pelagianen en de Geestdrijvers. De zondaar wordt niet voor God rechtvaardig omdat de zondaar gelooft. Christus rechtvaardigt de zondaar opdat hij gelooft. De lijdelijke rechtvaardiging is dan niets anders als de nadere bepaling en toepassing van de dadelijke rechtvaardingmaking.

Comrie is uit op een Gods-ervaring, maar staat deze ervaring niet onder spanning met die van het kinderlijk geloofsvertrouwen, krachtens belofte en verbond?[1]

Johannes Calvijn laat zien dat de getuigenis van het Woord op gespannen voet staat met logica. Calvijn´s commentaren op de Heilige Schrift en in zijn Institutie laten de verkiezing functioneren binnen de bedding van het verbond der genade. Comrie wil staan in de traditie van Calvijn. Toch heeft Comrie niet de héle Calvijn in zijn denken meegenomen. Comrie heeft de verkiezingslijn van Calvijn opgepakt en gemaakt tot zijn vertrekpunt voor zijn denken. De breedte van Calvijn is daarmee misschien wel verloren gegaan.

De zwakte van Alexander Comrie is dat hij zich in zijn strijd tegen de Remonstranten de Bijbelse spanning laat voor wat het Evangelie is. Comrie trekt zicht terug in de studeerkamer van Woubrugge, met daarmee de serene rust van het gesloten denksysteem.

Comrie’s denkvermogen wil de Soevereiniteit  van God duiden; via de Eeuwigheid het tijdsgebeuren rationeel te analyseren wat de zondaar precies ervaart. Hoewel God Zelf beschikt over Zijn raad en daad, die in de tijd geschiedt, ligt dit eigenlijk bij Comrie al vast, en dat lijkt op een cirkelredenering. Wat er in de tijd gebeurt, is al beslist van eeuwigheid. De tijd is onderschikt. Dat sluit de dynamiek van het geloof uit. Nooit kan de tijd invloed uitoefenen op de eeuwigheid. De eeuwigheid ligt massief over de tijd heen.

Calvijn is in zijn theologisch denken minder geconcentreerd op de eeuwigheid. Wellicht is zijn  theologie daardoor opener, breder en directer dan Comrie.

Het verschil tussen Comrie en Calvijns is dat bij Calvijn het Mysterie van de eeuwigheid en Gods besluiten blijven staan. Comrie is de eeuwigheid theologisch gaan reconstrueren en beeldt dat in.

In het denken van Comrie speelt het woordenpaar habitus – actus een sleutelrol. Hier speelt het gevaar dat door medewerking van de Heilige Geest gelovigen het geloof opbouwen via geloofsvermogen. Bij de inkerende geloofsdaad gaat het er niet om het feit dat het Evangelie voor mij is, maar de zekerheid waardoor de gelovige zichzelf als kind van God kan rekenen. En dat is nu precies het punt. Dat is heel actueel. Bij de inkerende geloofsdaad, gaat het er vooral om dat de gelovige het leven buiten zichzelf in Christus Jezus zoekt. Wanneer de nazaten van Comrie het Evangelie met bevel van geloof en bekering zouden preken, wordt de reflexieve daad gewoon de geloofsdaad. Zo simpel is dat.

H.J.C.C.J. Wilschut schrijft in zijn tweedelige artikelserie[2]: “Toch blijft er bij Comrie plaats voor een nodigende evangelieprediking. Een ruimte, die hij ook blijft overhouden ondanks zijn onderscheiding tussen geloof als hebbelijkheid en als daad: wat potentieel in een mens is ingestort, komt onder invloed van het gepredikte Woord tot ontplooiing. De pastor Comrie blijft royaal roepen tot Gods heil, al moet erbij gezegd worden dat bij hem het aanbod van Gods beloften min of meer los komt te staan van het verbond. “


[1] S. van der Linde, De godservaring bij Teelinck, Brakel en Comrie, Theologica Reformatica, 1 september 1973

[2] Verbond en verkiezing in (kerk)historisch perspectief, in Nader Bekeken, van januari en februari 2001

Alexander Comrie – 7

Bij Alexander Comrie komen de eeuwige verkiezing en de eeuwige rechtvaardiging dicht bij elkaar te liggen, dat ze moeilijk van elkaar zijn te onderscheiden. Die gelijkheid is er dank zij de eenvoudigheid van God.

Comrie schrijft in zijn Brief over de Rechtvaerdigmakinge het ongeveer zo op: “In de praedestinatie beschouwt God de uitverkorenen zonder enige zedelijke hoedanigheid, hetzij goed of kwaad. In de eeuwige rechtvaardigmaking beschouwt God de uitverkorenen als gevallen, liggende onder zijn toorn en vloek, maar die Hij nochtans ‘door ene eeuwig inblijvende wilsdaad in Zijn Zoon zelfs, op gronden overeenkomstig zijne Deugden en Volmaaktheeen rechtvaardigt, de zonde vergeeft en hen het recht ten eeuwigen leven toewijst”.

Tijdens de rechtvaardiging van eeuwigheid gebeurt het beslissende. God de Vader beslist van eeuwigheid dat er uitverkoren zijn, maar ook wie die uitverkoren zijn. Wat er in de tijd gebeurt is enkel wat op of na de eeuwigheid plaats vind. De opstanding van Christus, is daarmee de rechtvaardiging van Christus en daardoor allen, die in Hem begrepen zijn.

Wanneer de mens wordt wedergeboren word de zondaar de ‘hebbelijkheid van het geloof’ geschonken. Dat is volgens Comrie een rechtvaardigmaking tot het geloof.

Brakel, Calvijn en Luther legde het accent meer op een rechtvaardigmaking door het geloof.

Alexander Comrie – 6

Alexander Comrie ziet geloven zo; eerst het geloofsvermogen, daarna de geloofsdaad. Comrie spreekt synthetisch.. De geloofsdaad bestaat uit twee componenten. De eerste daad, de uitgaande daad of de directe daad van het geloof naar Christus, om alles van Hem te verwachten. De tweede daad is de reflexieve daad, deze keert in het bewustzijn van het geloof overdachte geloofsdaad, die het geloofsvertrouwen met persoonlijke toepassing voor zichzelf terugneemt als zegen van Christus. Comrie wil hiermee betogen dat iedere daad van het geloof, uitgaand of terugkerend, zekerheid heeft.

Van’t Spijker wijst erop dat het geloofsleven niets anders is dan een bewustwording wat er in de stille eeuwigheid al plaatsgevonden heeft. Deze manier van bewustwording wordt gekenmerkt door psycholische ervaringen. De verzegeling met de Geest wordt terug gebracht naar een innerlijke verlichting, die in staat stelt om gewaarwordingen bij onszelf meer of minder op te merken.[1]

Comrie hanteert twee begrippen bij het geloof : ‘hebbelijkheid’ en ‘dadelijkheid’ dat is in het Latijn : ‘habitus’ en ‘actus’. Comrie staat hiermee in een lange traditie van scholastieke theologen. Ook Amesius, Voetius, Turretini en anderen maakte dit onderscheid. Het begrip ‘habitus’ staat voor ‘geloof’ en ‘actus’ staat voor ‘geloven’.

Dit is de kern van Alexander Comrie bedoelt:

Om te geloven of geloofsdaden te verrichten moet de zondaar geloofsvermogen van God ontvangen in de wedergeboorte, die de Heilige Geest werkt. De mens is lijdelijk en niet in staat om zelf te geloven. Het geloof is een gave van God. In de wedergeboorte wordt de zondaar het geloof geschonken. De Actus is de omhelzing van de aangeboden Christus. Jong gestorven Kinderen hebben aan de Habitus genoeg en kunnen niet aan de Actus toekomen.

Comrie heeft nooit bedoeld om te focussen op de Habitus los van de Actus. Want dan impliceert het eigenlijk dat de zondaar op zichzelf geworpen wordt om te onderzoeken of de kenmerken van de Habitus er zijn. Anders geformuleerd: De habitus is niet een ervaring op zichzelf en geen doel op zich. De vraag is of dit in de geschiedenis wel of niet gebeurd is.  Comrie zegt ook dat de grond van het door God geschonken geloof ligt in de rechtvaardiging van de goddeloze in Christus. Comrie kan daarom spreken een rechtvaardiging ‘van eeuwigheid’. Dat God de zondaar in genade aanziet vindt zijn oorsprong alleen dat God de zondaar van eeuwigheid reeds heeft gerechtvaardigd heeft in Christus. Comrie wijst bij de inschakeling door de Geest de vermogens van de mens èn de eigen zedelijke en redelijke bijdrage van in de realisering van de genade af. Hoewel de rol van de mens voluit lijdelijk, betekent niet dat mens geen vermogens heeft.

Hier behoeft Comrie correctie. Het komt me voor dat God de mooie mens met vermogens – verstand, wil, gevoel heeft geschapen. Als de Heilige Geest gaat werken, worden ook deze menselijke vermogens daarbij ingeschakeld. De Geest werkt wel onmiddellijk, via het verstand en daarom ook de wil en het gevoel van de mens.


[1] Dr. W. van’t Spijker, De verzegeling met de Heilige Geest, De Groot Goudriaan, p. 152

Alexander Comrie – 5

Het Evangelie heeft de Wet nodig om zondaren te overtuigen van hun behoefte aan Christus. De Wet heeft het Evangelie nodig om te bewaren voor wanhoop. Het Evangelie verbreekt het hart van de zondaar en brengt de zondaar tot Christus.[1]

Voor  Comrie was het belangrijk in welke volgorde de heilsorde werd toegepast. Met andere woorden wat is eerst:  het Geloof en daarna de Rechtvaardigmaking of zoals Wilhelmus a Brakel die zich aan de Schrift vasthiel dat de zondaar door het geloof werd gerechtvaardigd , dat wil zeggen dat het Geloof aan de Rechtvaardiging vooraf gaat.

Hoewel Wilhelmus a Brakel accentueerde dat het geloof een gave van God is, gewerkt door de Heilige Geest, was Alexander Comrie bevreesd dat op deze manier toch te veel werkzaamheden van de kant van de mens binnen de geloofsdaad aanwezig is. Comrie zag daarmee een kleine deur op een kier naar het remonstrantse geluid. Comrie noemde Brakel’s naam niet expliciet, maar doelde daar uiteraard wel op. Toch lijkt Wilhelmus a Brakel´s evangelietoon veel op die van de beide Erskines.  Wilhelmus a Brakel zet kennis voor het geloof. Geloof en vertrouwen horen bij elkaar. Zekerheid hoort bij de vruchten van het geloof. Aannemen van Christus betekent de zekerheid van de genadige redding.

Volgens Alexander Comrie horen juist, kennis geloof en vertrouwen bij elkaar en is er daardoor zekerheid van het geloof en gevoel.  Comrie was bang dat bij Brakel de rechtvaardiging te veel zou afhangen van het geloof als voorwaarde.[2]

Brakel’s rechtvaardigingsleer ligt in de lijn van Amesius (en Joh. Teellinck). De gelovige dringt door via het Woord en Christus tot God zelf. Het geloof blijft bij het Woord niet staan, maar gaat door het Woord heen tot de persoon van Christus zelf. De relatie tot het Woord houdt niet meer in dan de toestemming van zijn waarheid, en de liefde daartoe, maar dit behoort nog niet tot het wezen van het geloof. Het eigenlijke geloof vindt alleen rust in Christus zelf. Daaruit blijkt het mystieke karakter van Brakel’s geloofsbeschouwing.[3]

Comrie stelt dat het ‘rechtvaardigend geloof’ horen, ontvangen en omhelzen van de vrijspraak die God in Zijn vierschaar gedaan heeft. Rechtvaardigend geloof is dan een synoniem voor de bekendmaking van de Geest. De rechtvaardiging wordt door het geloof ontvangen, maar niet door het geloof bewerkt. Comrie ziet een verschil in zaligmakend geloof en rechtvaardigend geloof. Ze komen uit dezelfde bron van de wedergeboorte, maar zijn onderscheiden. Het zaligmakend geloof kent veel geloofsdaden. Het rechtvaardigmakend geloof kent meer één werkzaamheid, dat is het toe-eigenen van de vrijspraak van God in het Evangelie.[4]

Ook maakt Comrie onderscheid tussen geloof en geloven. Geloof is een hebbelijkheid, de daad van het geloven volgt daaruit. Comrie vergelijkt dat met een voorbeeld uit de natuur; gehoor is niet horen. Comrie houdt vast aan deze volgorde; eerst de inlijving door het geloof en dan het aannemen door het geloven als daad. Brakel stelde juist dat de zondaar door zich aan Christus door het geloof toe te vertrouwen met Christus verenigd wordt.[5]


[1] Ds. C. Harinck, De toeleidende weg tot Christus, Groen 2001, p. 170-171

[2] Dr. W. Verboom, Kostbaar belijden, Boekencentrum 1999, p. 228

[3] Dr. C. Graafland, De zekerheid van het geloof, Bolland 1977, p. 198

[4] Ds. C. Harinck, De Heilsorde, de rechtvaardigmaking, Den Hertog 2007, p.144

[5] Ds. C. Harinck, De Heilsorde, Geloof en zekerheid, Den Hertog 2004, p226-227  Zie ook Abraham Kuyper, The The Work of the Holy Spirit, Seventh Chapter. Faith. XXXVI. Brakel and Comrie, Christian Classics Ethereal Library, p. 250

Alexander Comrie – 4

Alexander Comrie heeft lange afstanden afgelegd om de avondmaalsdiensten van de Erskines mee te maken. Comrie zag dat tijdens de avondmaalsdagen dat Baxterianen, samen met Arianen, Pelagianen en anderen van het avondmaal werden uitgesloten.[1] Comrie: “Het Evangelie en deszelfs eigenlijke inhoud behelst niet eneige eisen van plichten, nog bedreigingen van vloeken vanwege ongehoorzaamheid.[2]

Comrie wijst op de waarde van het sluiten met een verbond met God.[3] Dat moest Comrie wel van Thomas Boston hebben. In een voorbereidingspreek voor het avondmaal kon Comrie de gemeente meegeven om hen te helpen op een bijbelse wijze het verbond met God te sluiten.[4]

In de Heidelbergse Catechismus zien we dat Comrie vooral de nadruk legt op het genadeverbond als testament. Een Genadeverbond bestaat uit eis en belofte. De eis bevat voorwaarden en aan deze voorwaarden moet worden voldaan. Dit kan bij gelijkwaardige partijen. Een verbond tussen God en mens is niet gelijkwaardig. De eis kan de mens niet volbrengen, dus stelt Comrie dat er een element van straf bij komt. Comrie spreekt dan over een ‘verbond bij wijze van wetgeving’.

Een andere optie is dat de zondaar ‘alles verbeurd’ heeft, daardoor is de mens volledig van genade afhankelijk. Hierdoor is het verbond van de belofte compleet onvoorwaardelijk en zo kan Comrie weer bij een testamentair verbond uitkomen. 

Het komt hierop neer dat Comrie het wettisch verbond integreert met het genadeverbond. Comrie deed dat, omdat hij bij Amyraut uit de  Saumurse school zag dat Saumur een te groot onderscheid maakte tussen verbond en testament. Het universele heil is in Christus (testament) en het particuliere heil (verbond) vindt plaats in de geloofstoestemming van de zondaar. Comrie vindt dit ‘een misselijke orde en leerwijs in de Godgeleerdheid’. Comrie was vuurbang voor deze leer, dat de genade mede mogelijk gemaakt wordt door de mens.[5]

Comrie kende de theologiesche werken van Augustinus, Boston, de Erskines, Gray, Bunyan, Luther, Calvijn, Shepard en Spira. Comrie had een grote kennis hoe het menselijk hart staat in de relatie met God.

Dr. P. H. van Harten wijst erop dat een te ‘sterk descriptieve element’ van geestelijke ervaringen zoals we dat bij Comrie zien, de verkondiging van het Evangelie wat ‘indirect’ maakt. Uiteindelijk wilde Comrie met de uitvoerige weergave van de bevinding (de ziel gaat enz.) niet de hoorder op zichzelf werpen, maar de vraag is of op deze wijze niet de mens een centrale plaats in de prediking krijgt. De stralen van het Evangelie kan wellicht daardoor –  gebroken door de persoonlijke ervaring – tot de hoorder komen. De grote kracht van Comrie was zijn analye. Tegelijk kunnen we constateren dat deze analyse een schaduw werpt over een ontwapende, onbevangen, ruime en levendige verkondiging die juist de Erkinses kenmerkte.[6]


[1] A. G. Honig, dissertatie Alexander Comrie

[2] Alexander Comrie, Stellige en praktikale verklaring van de Heidelbergse Catechismus, zondag 5

[3] Comrie, verzameling leerredenen

[4] Comrie, ABC van het geloof 

[5] Dr. C. Graafland, Van Calvijn tot Comrie, deel 5 en 6, Boekencentrum 1996, p. 365-366

[6] Dr. P. H. van Harten, de prediking van Ebenezer en Ralph Erskine, Evangelieverkondiging in het spanningsveld van verkiezing en belofte, Boekencentrum 1986, p. 231

Alexander Comrie – 3

Het volmaakte eeuwige kennen van God is bij Alexander Comrie alleen gegrond in de volmaaktheid van het wezen van de eeuwige God zelf. God kent alles in Zichzelf, omdat alles uit Hem komt. Daarom zijn de eigenschappen van dit kennen door God, dat het oneindig en onafhankelijk is en alles omvat, al het mogelijke en al het werkelijke. God kent niet van achteren, zedekundig. Het is ook geen bemiddelde kennis, maar de kennis van God is eeuwig volmaakt. Comrie prikt met zijn Examen de Saumurse visie lek. Het kennen door God wordt teruggebracht tot de kern. Bij Saumur was er sprake van een ‘vermengd verbond’. Genade van de kant van God en het werken van kant van de mens werden vermengd.

Comrie’s intentie was uiteindelijk om de filosofie als instrument te hanteren. Comrie wilde Gods geopenbaarde wil bevestigen en verhelderen. De eeuwigheid van God verbindt Comrie met de eenvoudigheid van God. Alles wat God is en besluit, is God op gelijke wijze. God is van eenzelfde eeuwigheid en onveranderlijkheid als God Zelf is. Er is geen verschil in God. Binnen de Drie-enige  God zijn er geen onderscheidingen mogelijk. De Saumurse theologen leerden dat er drieërlei kennis van God en tweeërlei besluiten van God. Bij Comrie is kennis van God en Gods besluit één.

Gods uitverkiezing is eeuwig omdat God Zelf eeuwig is.  Daarom spreekt Comrie van een inblijvende daad van God. Ze deelt in de eeuwigheid, die in God is. Comrie maakt ons duidelijk dat het gaat om de volstrektheid van de goddelijke genade.

Comrie maakt onderscheid tussen een verkiezing tot heerlijkheid, waarin Christus de rol van Middelaar der vereniging krijgt toegewezen, èn een verkiezing tot zaligheid, waarbij Christus als de Middelaar der verzoening optreedt. Want in die eeuwigheid is eeuwig onveranderlijk door God besloten om de verkorenen te doen delen in het eeuwige leven.  Christus is niet de mens geworden Verlosser die de uitverkorenen brengt tot de heerlijkheid en zaligheid. Christus is vooral Middelaar tussen God en mens om elkaar te verenigen.

Het geproclameerde heil via de verkondiging van het Evangelie kan in de tijd twee kanten uitgaan, dood of leven. Bij Comrie is dat niet zo van betekenis, omdat het einddoel vast staat; Van eeuwigheid ligt de zaligheid en heerlijkehid vast in de eeuwige God Zelf.  Wat in de geschiedenis gebeurt, is in de eeuwigheid besloten.

Bij Comrie lijkt het dat het God te doen is om de uitverkorenen tot behoud te brengen door het geloof in Christus en dat Hij daartoe aan velen het geloof in Christus doet verkondigen. Tot die velen behoren ook diegenen, die God in zijn besluit buiten die mogelijkheid van zalig worden heeft gesteld. Aan hen wordt wel het evangelie verkondigd, maar dat betekent niet, dat het voor hen mogelijk is te geloven en zalig te worden. In feite is het de bedoeling zodoende hen door eigen schuld verloren te laten gaan, omdat zij wel niet konden geloven (dank zij Gods besluit), maar wel de plicht hadden te geloven, namelijk krachtens het werkverbond, dat God in Adam ook met hen had opgericht.[1]


[1] Alexander Comrie – Dr. A.G. Honig – The Presbyterian and Reformed Review 5:331-334. [1894]

Alexander Comrie – 2

Alexander Comrie liet de rechtvaardiging aan het geloof voorafgaan. Comries’ intentie was om het  genadekarakter van het geloof te accentueren. Het geloof is wel een gave van God – maar zo redeneerde Comrie – God kan die gave alleen schenken aan de mens die met Hem in een verzoende relatie staat. Die relatie kan er alleen zijn in Christus, dus zonder enige zonde. In feite zag God dus de mens al van eeuwigheid aan in Christus. Op die manier is er niet alleen een verkiezing van eeuwigheid, maar ook een rechtvaardiging van eeuwigheid!

Alles wat de zondaar in de verzoening met Christus ervaart, is slechts een kopie wat God van eeuwigheid heeft voorzien. Allen die door de Vader aan Christus zijn gegeven, zijn gerechtvaardigd in de opstanding van Christus. De uitverkoren zondaar wordt in de tijd het geloof geschonken. Dat is nog slechts een habitus, een vermogen om te geloven. Pas in de actus, als het geloof actief wordt, is er de rechtvaardiging in de vierschaar van het geweten, in feite de bekendmaking van het besluit van God van eeuwigheid.

In de prediking roept Comrie  zijn hoorders op om het geloof niet in zichzelf te zoeken, maar te vluchten tot Christus. Comrie ziet vindt verwarring omtrent bijzondere en de algemene genade gevaarlijk. Het kennen van God is geen ‘schoolse kennis’, maar ‘geloofskennis’. Er is een kennen zonder genade, maar er is geen genade zonder ware kennis. God ‘erkennen’, maakt de gelovige ‘werkdadig’. Het kennen van God is een ‘bevindelijk’ kennen, dus ervaringskennis. Comrie doet daarvoor een beroep op Calvijns Institutie, boek III.

Comrie verbindt de oorspronkelijke calvijnse Reformatie en de Dordtse Leerregels, omdat Comrie van mening was, dat de gereformeerde Orthodoxie onder een te grote invloed kwam van het opkomende Verlichtingsdenken. Daardoor ging Comrie de Gereformeerde leer steeds preciezer formuleren.

Toen er kritiek kwam op de Dordtse Leerregels ging Comrie de confessionele wettigheid van Dordt verdedigen door te stellen dat Dorst als  een verhelderingen was van eerdere confessies (Examen, II, 82 v.).

Comrie maakte een te grote vuist naar de theologische universiteit te Saumur met theologen als Camero, Amyraldus en Pajon. B.G. Armstrong ziet dat als een synthese tussen protestantse Scholastiek en Humanisme. De Franse vluchtelingen, die door de herroeping van het Edict van Nantes in 1685 naar Nederland kwamen, namen inhoudelijk Saumur mee.[1]

De theologie van Saumur is een concept waarin zowel God als mens participeert. Comrie verbindt daarom in zijn Catechismusverklaring de genade met de bevinding. De geloofservaring en Christus alleen kunnen niet zonder elkaar. De eeuwigheid heeft met God en met Godsleer te maken.

Comrie meende dat hij het genadekarakter waardoor wij behouden worden kon aanwijzen door te spreken over het geloof als hebbelijkheid, een ingestorte hebbelijkheid. De vraag is of de Bijbel er ook zo over spreekt. Niet de logica, maar het Evangelie!


[1] Zie ook C. Graafland,  Examen van het Ontwerp van Tolerantie, Theologia reformata, 15 (1972), p. 20-36.

Alexander Comrie – 1

Alexander Comrie werd in 1706 geboren in Perth, Schotland. [1] De stamboom van Comrie laat meer predikanten zien; de Schotse Covenanter / Puritan minister Andrew Gray (1633-1656) als een overgrootvader aan de kant van zijn moeder; Schotse Bijbelse rev. George Hutcheson (overleden 1678) was van zijn moeders stiefvader; de Schotse Covenanter James Fraser van Brea (1639-1698) was zijn oudoom, en Schotse Anglicaanse bisschop en kerkhistoricus Gilbert Burnet (1643-1715) was ook een familielid (die zelf was een neef van Schotse Covenanter Robert Baillie (1602-1662), die was broeder-in-wet aan de Schotse Covenanter Archibald Johnston, Lord Warriston (1611-1663).[2] 

Onmiskenbaar moet toch Boston’s  Viervoudige staat en de belijdeniscatechisatie onder Thomas Boston liefde tot de waarheid hebben uitgewerkt. Later vertelde Comrie over deze periode het volgende: “Nadat ik de vrije genade Gods aan mij, een van de grootste zondaren, geproefd en gesmaakt heb”. Comrie ervaarde dat God hem maar aan de leer der Reformatie wilde houden.

Comrie senior bracht zijn zoon bij een handelsfirma in Edinburgh onder. De handel voerde hem de Noordzee over. In Nederland kreeg Comrie junior een baan bij het handelskantoor van Adriaan van der Willigen. Comrie junior ging per boot naar de dorpen aan de Rijn. Door schipbreuk moest Comrie noodgedwongen richting Woubrugge zwemmen. De drenkeling bereikte de heerlijkheid Esselyckerwoude en kreeg onderdak. Comrie dankte voor de redding en bad gelijk maar voor de bekering voor zijn gastheer. De gastheer knielde en kreeg vrede met God, volgens Abraham Kuyper.

Landheer Arnold de Sterke en zijn neef ds. Tarée uit Woerden pushte Alexander naar de Universiteit te Groningen. 8 September 1729 liet Alexander zich als student in de Heilige Godgeleerdheid bij rector Michael Rossal inschrijven.

Comrie’s  docenten werden de Utrechtse predikant Antonius Driessen, hoogleraar Otto Verbrugge uit Lingen, hoogleaar Cornelius van Velzen en hoogleraar Albertus Voget. Daarna studeerde Alexander Comrie kort aan de Leidse Universiteit bij hoogleraar Albertus Schultens.

In 1734 promoveerde Comrie promoveerde onder Guilelmus Jacobus uit Den Haag tot Doctor in de Filosofie op een proefschrift: De moralitatis fundamento et natura virtutis (‘Over het fundament van de zedelijkheid en de natuur van de deugd’). Comrie was nu ‘meester in de vrije kunsten en doctor in de filosofie’.

De hoofdtekst van het proefschrift van Comrie beslaat 17 pagina’s. Daarna komt er een lovend gedicht en onder de titel Annexa 25 stellingen over uiteenlopende filosofische onderwerpen. De stellingen 15 tot en met 23 zijn gewijd aan de natuurwetenschap. In proefschrift 20 ontmoeten we de naam van Newton en thesis 15 bevat de eerste “regelgeving philosophandi” van Newton’s Philosophiae Naturalis Principia Mathematica. Het proefschrift begint met een toewijding aan zijn weldoeners en de “alom bekende, zeer capabele en acute” ’s Gravesande, zijn’ meest excellente begeleider “, gevolgd door een lijst van hoogleraren uit Leiden en Groningen. De tekst van het proefschrift bestaat uit de hoofd van de bevolking “De Moralitatis Fundamento” (pp. 1-9) en “De Natura Virtutis” (pp. 9-17). Elk hoofdstuk is verdeeld in twee delen (respectievelijk blz. 1-5, 5-9, 9-15, 15-17). Elke sectie bestaat uit een serie van vrij korte alinea’s. Een groot aantal filosofen uit de Oudheid en de hedendaagse filosofen worden vermeld. De afwezigheid van middeleeuwse denkers is opmerkelijk.

In hoofdstuk I wijst Comrie erop dat hij voor het eerst wil laten zien dat er een wezenlijk verschil tussen goed en kwaad. Hij pleit tegen oude en moderne filosofen (van Plato tot Hobbes) die ondeugd en deugd verbinding te maken met wisselende wetten en regels in die de mensen hebben vast wat moreel aanvaardbaar is of niet. Descartes ‘opvatting dat goed en kwaad, orde of de wet niet zijn opgericht in de natuur, maar uitsluitend afhankelijk is van de wil van God krijgen ruimschoots aandacht. Comrie stelt het op prijs dat de Franse filosoof geen moraal te koppelen aan menselijke wetten, maar betreft het aan God. Maar hij verwerpt Descartes ‘voluntarisme. Als goed en kwaad zou afhangen van de wil van God, zouden buiten het bestaan ​​van de wereld God geen voorkeur voor wat moreel goed boven wat is moreel verwerpelijk. Men kan niet verminderen alles aan de wil van God. Inderdaad Descartes zelf doet het bestaan ​​van God niet reduceren tot Zijn wil te bestaan. God heeft niet geschapen iets zonder er wezenlijke eigenschappen. Dus de essentie van dingen zijn eeuwig en permanent.

In hoofdstuk II omschrijft Comrie de deugd als de doelstelling van een redelijke schepsel op te treden op zo’n manier dat hij zich niet gedraagt ​​tegen ware proposities dat de essentie van een ding en het morele karakter van de relaties die in het ding uit te drukken. Liefde moet altijd de drijfveer van onze morele gedrag en dergelijk gedrag moet worden beoordeeld op basis van de intenties van de handelende persoon. Niet handelt moreel terwijl dit nodig is, is een zonde. Het goede en het ware zijn voor Comrie in feite synoniem. Comrie bekritiseert filosofen die deugd omschrijven als fatsoen of als liefde voor de juiste begrip (Geulincx). Als men beschrijft met Plato deugd als wat is het eens met God, zal men naar middelen te leveren aan deze overeenkomst te realiseren. In het laatste deel ontmoeten we Comrie de theoloog: In de uiteindelijke analyse wat telt is dat we God eren in alle uitingen van ons leven. We vragen hem om ons de kracht om te volharden in de uitoefening van de deugd. [3]

De filosofie als instrument werkte in het voordeel van Comrie tijdens het theologische debat van die tijd. Dat verklaart wellicht dat Comrie uiteindelijk meer schrijver was dan predikant.[4]

Na Leiden ging de weg naar Woubrugge. Hier deed Comrie op 1 mei 1735 intrede. Ds. Holtius leidde de dienst. Comrie preekte over ‘En die verre zijn zullen komen en zullen bouwen in de tempel des Heeren, en gijlieden zult weten dat de Heere der heirscharen mij tot u gezonden heeft’ (Zach. 6:15). Comrie verbleef hier 38 jaar en maakte vele uren in zijn studeerkamer. Comrie huwde driemaal. In 1737 voor het eerst met Johanna de Heyde . Johanna was een studiegenote. Het huwelijk duurde niet zo lang. Uit dit huwelijk werd een meisje geboren. Zij bleef de enige dochter van Comrie.[5] Maria van der Pijl uit Lexmond en Catharine de Reus uit Beverwijk volgden.

Voor de beroepen die Comrie kreeg uit Kralingen, Naarden, Schoonhoven, Den Bommel, Steenwijk , ´s-Gravendeel en Oude Tonge werden bedankbrieven verzonden.[6]  

Comrie besteedde weinig tijd aan huisbezoeken en ook met betrekking tot zijn taak als kerkbestuurder was hij niet sterk. Dat blijkt uit zijn houding tijdens het conflict over de heerlijke rechten van de vrijheren van Woubrugge. De vrijheren bezaten het collatierecht op grond waarvan zij grote bevoegdheden claimden bij de beroeping van predikanten. Al voor de komst van Comrie waren de vrijheren daarover in conflict gekomen met de classis Leiden en de kerkenraad van Woubrugge. In dit geschil, dat jarenlang duurde, stond Comrie soms aan de kant van de classis en dan weer aan die van de vrijheren. Het probleem zal zijn veroorzaakt door het feit dat hij de vrijheren, hooggeplaatse en vrome gemeenteleden, die hij bovendien als zijn broodheren zag, moeilijk kon afvallen.[7]

Voor Comrie was de Schotse belijdenis ‘de zuiverste ter wereld’. Zijn catechisanten in Woubrugge kregen de oorspronkelijke Westminster Catechismus voorgeschoteld, die Comrie vertaalde en uitgaf. Woubrugge was Comrie ‘lief’ geworden. Woubrugge was de bakermat van Comrie´s theologische vergezichten. Op deze theologische vergezichten kwam ook kritiek.

Comrie zou zowel de Scholastiek als de Filosofie een te grote plaats hebben toegekend binnen de Theologie. De hoogleraar Middeleeuwse wijsbegeerte Lambertus Maria de Rijk meent de ‘scholastieke methode’ in de wijsbegeerte en de theologie een toegepaste werkwijze is.

Deze filosofische werkwijze maakt gebruik van steeds weerkerend systeem of arsenaal van begrippen, definities, propositieanalyses, redeneertechnieken en disputeermethoden. Comrie was buitengewoon machtig in het gebed.[8]

Tot Comrie’s tijdgenoten hoorden; Wilhelmus Schortinghuis (1700-1750), Jean Jacques Rousseau (1712-1778), Theodorus van der Groe (1705-1784), Johann Sebastian Bach (1685-1750) en George Whitefield (1714-1770).

Alexander Comrie publiceerde in totaal 23 grote en kleine werken.[9]

Verder vertaalde Comrie enkele werken uit het Engels; De Leidraad van de Westminster Catechismus van Isaac Chauncy, Een beschouwing van het verbond der genade van Thomas Boston, en de Verklaring van de kleine profeten van George Hutcheson[10], Evangelische Heiligmaking van Walther Marshall, preken over de Tien maagden van Thomas Shepard.

De leerredenen ‘Met God verzoend’ van Stephen Charnock werd voorzien met een voorrede, ter onderrichting aan de Nederlandse Hervormde lezers door Alexander Comrie in zijn weleerwaarde leven Scoto-Brittannius. A.L.M. Filosofisch Doctor en Predikant te Woubrugge.[11]

Ook publiceerde Comrie een Catechismusverklaring, zondag 1 tot en met zondag 7.  Deze zondagen beslaan zo’n 459 pagina’s. In de ‘Brief over de Rechtvaardigmaking komt Comrie tot een concept over zijn de Rechtvaardiging. Comrie was een strijder tegen de Verlichting binnen de Hervormde Kerk. Comrie’s Examen van het Ontwerp van Tolerantie laat dat duidelijk zien. Gezelschappen waar ‘praters’ en ‘zwijgers’ de bekering verhaalden moesten het ontgelden.

De prediking van Comrie heeft een ‘uitgesproken bevindelijk concept’ . Twee dingen vallen op:  Exegese en Toepassing. Comrie’s Verhandeling van eenige eigenschappen des zaligmakenden geloofs, zynde een’ verklaaring en toepassing van verscheidene uitgeknipte teksten des O. en N. Testaments  etaleren een ‘diepgaande ontvouwing van het geloofsleven’. Een voortreffelijk en diepzinnige kennis die gericht is op Christus wordt op een bijzondere manier duidelijk gemaakt. Comrie’s Catechismusverklaring en Comrie’s ABC des geloofs is meer dan een Kaleidoscope. De volle registers van diverse trefwoorden, schriftuurlijk als een voluit beleefde vertolking van het geloof  worden geëxposeerd.

Comrie wil via zijn Leerredenen vooral de persoonlijke toepassing een accent geven. Comrie: “Wij gelooven, dat al toepassende te verklaren, de beste wijze is’ (Aan den Lezer, blz. 2), waarbij Comrie rekening hield met de eenvoudigen of onvermogenden.  De Leerredenen spreken van twee wegen; bekeerd en onbekeerd. Comrie ‘zingt’ met lange zinnen het Geloof en de Zaligmaker.

Comrie is helaas niet ontkomen aan filosofische gedachten, die rechtstreeks terug te voeren zijn op de Middeleeuwse scholastiek. Deze manier van denken maakt de beweging niet naar de Schrift, maar verwijdert zich van de Schrift.


[1] Biografie Comrie, Groene Hart Archieven

 O.C. van Hemessen, Eene wandeling door Woubrugge en Hoogmade (1904)

Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme 3 (Kampen 1988) 76-78.

 A. G. Honig, Alexander Comrie (Utrecht 1892)

C.J. Meeuse, ‘Alexander Comrie (1706-1774)’, in: W. van ’t Spijker e.a., Oude schrijvers. Een kennismaking (Houten 1997) 293-312

Comrie biografie, Peter Bak, voor Protestant.nl,  15 juli 2009

[2] http://virginiahuguenot.blogspot.com/2009/10/six-degrees-of-alexander-comrie.html

[3] https://openaccess.leidenuniv.nl/handle/1887/8596

[4] Joel R. Beeke en Randall J. Pederson, Meet the puritans, Reformation Heritage Books, p. 754

[5] Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme, Kampen 1988

[6] F. Verkade,  http://www.dominees.nl/publicaties/alleberoepenvan_comrie_a.pdf

[7] Biografie Comrie, Groene Hart Archieven

[8] Alexander Comrie, uitgegeven door K. Heerschap – Ouddorp (Z.H.) Mei 1923 

[9] http://www.groenehartarchieven.nl/themas/personen-en-families/alexander-comrie

[10] Ds. J. T. Doornebal, Dr. Alexander Comrie, lezing Gereformeerde Bond, uitgeverij Bout Huizen

[11] http://www.puritanboard.com/f18/alexander-comrie-17846/    http://www.theologienet.nl/documenten/Charnock%20deel%201.pdf

De Vierschaar – 2

Joel Beeke schrijft in zijn dissertatie over een Vierschaar, maar dan zoals John Owen het meent te weten.[1] Owen spreekt hierover n.a.v. Rom. 8 : 16 – ‘De Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen God zijn’. Gods kinderen hebben nog steeds de overblijfsels van hun oude natuur in zich. Daarom twijfelen zij er soms aan of ze nu werkelijk een kind van God zijn.

John Owen over de Vierschaar[2] : De ziel wordt in Gods rechtzaal gebracht. Daar voert de ziel haar pleidooi, namelijk dat zij een kind van God is. De ziel voert alles aan wat er aan blijken van genade in haar gevonden wordt, alles waardoor het geloof haar verenigt met God. Satan, zonde en de wet vormen de oppositie. Zij stellen de aangevoerde blijken van genade in twijfel. Dan verschijnt de Trooster, de Heilige Geest, die met een beloftewoord het hart van de mens overweldigt, en hem ervan overtuigt, dat zijn pleidooi, dat hij een kind van God is, terecht is. De Geest getuigt met zijn geest. Dit geeft de ‘volle’ zekerheid van het geloof. De Heilige Geest is de advocaat.

Deze vierschaar-beleving kan echter jaren in beslag nemen voordat zij beslist is. Deze beleving bij John Owen is geen gebeuren van een ogenblik. Er staat geen bepaalde tijd voor. Het kan jaren doorgaan voordat het pleit beslecht is. In Owens beschrijving valt met name op, dat de mens actief is in het bepleiten van zijn zaak. Bij John Owen is niet Christus de advocaat is, maar de Heilige Geest.

Volgens ds. C. Harinck zit er een zwakte in van het model van de vierschaarbeleving. De theologische fout is dat men de rechtvaardiging door het geloof en de verzekering daarvan door de Heilige Geest met elkaar vermengd. Daarbij vindt de rechtvaardiging gelijktijdig plaats met de verzekering, als crisiservaring.[3] Dit geldt misschien iets meer voor Comrie dan voor Owen.


[1] Joel R. Beeke, “Personal Assurance of Faith: English Puritanism and the Dutch ‘Nadere Reformatie’: From Westminster to Alexander Comrie (1640-1760)” (Ph.D. dissertation, Westminster Theological Seminary, 1988).

[2] Dr. P. de Vries, Die mij heeft liefgehad. De betekenis van de gemeenschap met Christus in de theologie van John Owen (1616-1683)  Groen Heerenveen, 1999 en THE DOCTRINE OF JUSTIFICATION BY FAITH by John Owen, THE SAGE DIGITAL LIBRARY

THEOLOGY Albany, USA Version 1.0 1996

[3] Ds. C. Harinck, De rechtvaardigmaking in de vierschaar der consciëntie, lezing Haamstede Conferentie, 1999

De Vierschaar – 1

Alexander Comrie beschrijft de Vierschaar als volgt : God is de Rechter is de ontzaglijke en geduchte God, voor Wie alle velees moet sidderen. De zondaar, de schuldige, leert zijn verdoemlijkheid erkennen voor God. De aanklagers en beschuldigers zijn de Wet, het geweten en de Satan. Christus treedt als Advocaat voor de zondaar in.  De Vader als Rechter spreekt vrij van schuld en straf. De zondaar omhelst Christus de Advocaat door het geloof en wordt daarmee gerechtvaardigd voor God de Rechter.

Maar de eigenlijke rechtvaardiging is dat niet echt, want die heeft volgens Comrie al plaatsgevonden in de eeuwigheid. De vierschaar in tijd is enkel het punt wanneer God die bekend maakt in de ziel.  Toch roept Comrie mensen niet op om zich te veel te verdiepen in de eeuwigheid. Comrie had die rechtvaardiging alleen nodig vanuit een dogmatisch oogpunt. Net als bij de habitus van het geloof.  Ook bij Comrie draait het ook uiteindelijk om de Actus in de tijd.  Comrie gebruikt de vierschaar niet als een exclusieve crème de la crème ervaring, maar enkel als een metafoor om de rechtvaardiging tot het geloof voor het voetlicht te brengen. De actus is van essentieel belang. Christus wordt door het geloof omhelst. In die actus realiseert zich de habitus van de rechtvaardiging van eeuwigheid. Comrie wil zeer precies de gereformeerde theologen volgen. De eigen, inwendige, krachtdadige en almachtige werking van de Heilige Geest moet onderscheiden worden van de Schrift. Het Woord is de MIDDELIJKE werking. De Heilige Geest is de ONMIDDELIJKE werking. Onmiddellijk duidt op zonder menselijke vermogens.

Prof. Dr. F. van Lieburg wijst erop dat de opkomst en verbreiding van de vierschaarbeleving kan worden verklaard ‘tegen de achtergrond van de popularisering van theologische discussies en de doorwerking ervan in preken, boeken en gesprekken’. De voortdurende strijd over de zekerheid van het geloof was nauw verbonden met het kerkelijk pastoraat en de omgang der vromen in private gezelschappen. Het vroegste teken van concrete spanningen op lokaal niveau vond Van Lieburg in een manuscript van de jonge vrouw Maria Bagelaar, die in 1716 een conventikel in het dorp Woubrugge bezocht. Daar bleek dat enkele gezaghebbende vromen de gewoonte hadden om bezoekers kritisch te ondervragen of men de rechtvaardiging al had beleefd, en men niet te gemakkelijk zou denken dat een vrome levenswandel met de heiligmaking kon worden geïdentificeerd.[1]

Uit een ander egodocument blijkt, dat er in die jaren in piëtistische kringen wel meer opvattingen circuleerden, die als populaire vervormingen van theologische beschouwingen moeten worden geduid. De jongen Johannes Wassenaar hoorde rond 1720 iemand zeggen dat een mens hoe dan ook een keer in de hel moet zijn geweest: of tijdens zijn leven in zijn ziel, of in de eeuwigheid naar ziel en lichaam.[2]

Deze merkwaardige stelling zou kunnen teruggaan op een notie die ontwikkeld is door sommige zeventiende-eeuwse Engelse puriteinen, met name Thomas Hooker en Thomas Sheppard. Het ging daarbij om de overtuiging dat de verootmoediging van een zondaar voor de heilige God zover moet gaan, dat hij erkent dat hij de verdoemenis heeft verdiend, en op een zeker moment zelfs even gewillig is om verloren te gaan als om behouden te worden. In Nederland werd deze gedachte overgenomen door de Labadisten en in piëtistische bekeringsverhalen is zij regelmatig terug te vinden.[3]


[1] Dr. F. van Lieburg, Levens van vromen, 84-85.

[2] Dr.  F. van Lieburg, Levens van vromen, 67. Zie ook de uitgewerkte tekst van een referaat gehouden op 21 februari 2003 voor de Werkgroep (Auto)Biografie bij het Huizinga Instiuut in Amsterdam, gepubliceerd als F. van Lieburg, DE VERBALE TRADITIE VAN EEN PIËTISTISCHE GELOOFSERVARING, tijdschrift voor sociale en economische geschiedenis 1 [2004] nr. 4 pp. 66-85

[3] Zie C. Graafland, ‘De Nadere Reformatie en het Labadisme’, in: T. Brienen e.a., DeNadere Reformatie en het Gereformeerd Piëtisme (’s-Gravenhage 1989) 275-346